DE TEGEN CULTUUR VAN TOEN

'Kom op, jullie zijn pubers, doe eens iets puberaals!' Ik moest wel lachen, toen ik in Vrij Nederland van deze week boven een artikel in de nieuwe serie 'De Hoeksteen' (no pun intended, ook in VN heeft de werkelijkheid het inmiddels van de ironie gewonnen) deze kwasi-wanhopige verzuchting van de ouders van twee aardige tienerdochters las.

Het klopt ook wel, van een generatiekloof lijkt in het Nederlandse gezin weinig meer te merken en dat valt de generatie, die zelf de kloof met haar ouders het scherpst gevoeld heeft, het meest op. Het past ook wel bij die generatie om het succes van de eigen gezins- en opvoedingsstijl niet te zien, maar zich te verbazen over de aardigheid van hun kinderen. Zo waren zij zelf niet, zij wilden zo snel mogelijk het huis uit en wie dacht hen rustig les of college te kunnen geven, ging een paar moeilijke uren tegemoet. Boven de dertig was niemand te vertrouwen, trouwen was kouwe drukte en een beetje hoffelijkheid in het maatschappelijk verkeer ouderwets en onderdanig.

Dat is behoorlijk veranderd en ik vind dat een verademing, maar het gevoel blijft dat het toch niet helemaal klopt. Kinderen horen tegen hun ouders in opstand te komen, puberteit en adolescentie horen stormachtig te verlopen. Gebeurt dat niet, dan worden ze ook niet echt zelfstandig en blijven ze afhankelijk van hun ouders.

Toch is er voor kinderen nu in de meeste gevallen weinig reden om met hun ouders de strijd aan te gaan. Ze mogen alles wat hun ouders ooit verboden was en ze worden bovendien serieus genomen. De drang naar vrijheid is niet zo groot, als je niet vast zit en niet klein wordt gehouden.

Het aardige is dat het echte generatieconflict en de lastige puberteit altijd al betrekkelijk zeldzaam zijn geweest, het speelt ongeveer bij een op de drie kinderen en dan nog vooral in de vroege adolescentie. Bijzonder is vooral dat de huidige generatie ouders niet individueel, maar als generatie het conflict met hun ouders en met de gevestigde orde als geheel is aangegaan. Dat was niet een gewone, maar juist een bijzondere situatie en vooral de jaren tussen 1965 en 1970 gelden terugkijkend als een waterscheiding in de politieke verhoudingen, de omgangsvormen en de cultuur. Er wordt dan ook al met de nodige nostalgie op teruggekeken en in de modebladen wordt na de minirok nu ook al gedreigd met de terugkeer van de hippie-look.

Ruud Abma is net oud genoeg om nog zelf deel te hebben gehad aan de maatschappij-kritische beweging en de jeugdcultuur van de late jaren zestig. De nostalgie overheerst bij hem niet, in zijn proefschrift onderzocht hij juist wat er nu zo bijzonder was aan het generatieconflict van toen, waarom het tot een beweging kon uitgroeien en zelfs de trekken van een 'tegencultuur', van een alternatief voor de dominante cultuur, kon aannemen. Dat heeft niet geleid tot het zoveelste boek over Provo (het woord valt precies een keer), Parijs 1968, het Maagdenhuis of Kommune II, dat wel veel laat zien, maar weinig begrijpelijk maakt en alleen maar de legendevorming versterkt. Abma wil komen tot een theoretische plaatsbepaling van de jaren zestig en hij doet dat door de gebeurtenissen van toen te analyseren in het licht van wat er bekend is over jeugd en jeugdbewegingen, cultuuroverdracht en cultuurverandering, identiteitsvorming en generatieconflicten.

Om de tegencultuur van de jaren zestig te kunnen begrijpen moeten we verder weten hoe de verhouding tot de heersende cultuur was, wie de dragers van de tegencultuur zijn geweest en hoe zij zich zo prominent hebben kunnen manifesteren. Op het laatste na is dat eigenlijk allemaal wel bekend en Abma presenteert ook geen nieuwe gegevens of feiten, maar ordent en weegt wat hem en ons als tijdgenoten en ten dele ook participanten van toen bekend is. Dat levert een theorie op, die de tegencultuur niet verklaart (maar wel duidelijk maakt waarom het ook toen al als tegencultuur werd beleefd), maar wel verheldert. De theorie biedt daarmee ook een theoretisch kader voor de beschrijving en analyse van andere jeugd(tegen)culturen. Een mooie prestatie, die ook nog geleverd wordt in een heel beknopte en goed toegankelijke vorm. Het is geen gemakkelijk boek, maar het leest zeker niet moeilijk.

Tot de typische kenmerken van de modern-westerse samenlevingen hoort de ontwikkeling en voortdurende verlenging van de jeugd als levensfase. De voorbereiding op de defitieve volwassenheid gesymboliseerd in de deelname aan het arbeidsproces en de stichting van een eigen gezin wordt sociaal voor steeds meer mensen steeds langer uitgesteld en psychologisch steeds meer de fase van het vinden van een eigen identiteit. De jeugdfase laat ruimte en die ruimte is ook weer steeds groter geworden voor een eigen milieu en cultuur van leeftijdgenoten. De 'jeugdruimte' wordt wel sterk beinvloed door de heersende cultuur van de volwassenen, maar kent toch ook een zekere autonomie. Al in de jaren vijftig neemt de autonomie van de jeugdcultuur toe, met name op het gebied van muziek, kleding, taal, uitgaans- en omgangsgewoonten, maar in de jaren zestig blijkt de overdracht van de traditionele cultuur van vooral de middenklasse in toenemende mate problemen op te leveren. In het kader van de jeugdcultuur zelf worden dan nieuwe opvattingen ontwikkeld, waartegen de heersende cultuur zich aanvankelijk verzet. De jeugdcultuur wordt een tegencultuur, die een alternatief biedt voor de heersende cultuur.

De heersende cultuur was achtergebleven bij de snelle economische en maatschappelijke ontwikkelingen, maar van een culturele crisis was pas sprake toen de overdracht naar volgende generaties niet meer probleemloos mogelijk bleek. Simpel gezegd, er waren financiele mogelijkheden voor consumptie geschapen, die niet meer pasten bij een houding van spaarzaamheid en zuinigheid, er waren meer jonge mensen gekomen met een hoger opleidingsniveau en die wensten ook meer zeggenschap op alle niveaus, er waren door de komst van de pil seksuele vrijheidsmogelijkheden geschapen die niet meer in overeenstemming waren te brengen met de eisen van een restrictieve seksuele moraal.

In zijn extreme vorm is de tegencultuur een verschijnsel van de jaren zestig en begin jaren zeventig gebleven, maar in een gematigde vorm is de tegencultuur mede bepalend geworden voor de heersende cultuurvan vandaag. De generatie van toen heeft zijn cultuur meegenomen en alles wijst erop dat de overdracht van deze cultuur op nieuwe generaties redelijk lukt. Daarom zijn de jongeren van nu als generatie minder geneigd tot contestatie dan (een deel van) hun ouders toen. Niet iedere generatie is een protestgeneratie, het probleem is hoogstens dat de protestgeneratie van toen ten dele in een protesthouding is blijven steken. Niets is zo treurig als een heersende cultuur die zich nog steeds een tegencultuur waant, een syndroom dat de Partij van de Arbeid tot op de dag van vandaag teistert.

Zo ver gaat Abma in zijn beschouwingen niet. Hij verschaft het tegencultuurbegrip een sociologische basis door het te verbinden met het door Karl Mannheim al voor de oorlog geintroduceerde begrip van de generatie-eenheid, 'de actieve delen van een bundel geboortecohorten, die zich kenmerken door collectieve vormen van bewustzijn en handelen. Het gaat om bewegingen van jongeren met een eigen stijl en intellectueel programma en met een gemeenschappelijk programma'. Een generatiecultuur is niet zomaar een groepje leeftijdgenoten, het zijn leeftijdgenoten die zich maatschappelijk en cultureel als een nieuwe generatie presenteren en ook als zodanig erkenning vinden bij andere leeftijdgenoten en oudere generaties. Generatie-eenheden ontstaan niet rond marginale kwesties (muziek of haardracht bijvoorbeeld), maar rond de contrapunten van de heersende cultuur. In de jaren zestig was de tegencultuur duidelijk romantisch en hedonistisch getoonzet in een samenleving waarin rationalisme en puritanisme nog de dominante principes waren.

Is een tegencultuur per definitie een jeugdcultuur? Dat is niet noodzakelijk, maar de verbinding of zelfs gelijkstelling van tegencultuur met generatie-eenheid maakt dit wel waarschijnlijk. Wie al helemaal gesocialiseerd is als lid van de volwassen samenleving, zal daar individueel misschien nog wel afstand van kunnen nemen en plotseling kunnen besluiten zijn leven geheel anders in te richten, maar het zal hem niet meer lukken zijn generatie dan nog slechts een 'bundel geboortecohorten' daarin mee te krijgen, laat staat enthousiast te maken. 'Sturm und Drang' is, zoals Abma onder verwijzing naar Freud (niet het sterkste hoofdstuk van het boek overigens) laat zien, ontogenetisch aan een bepaalde ontwikkelingsfase gebonden. Hoewel de positie van ouderen in de samenleving in veel opzichten op die van jongeren lijkt niet ingeschakeld in het arbeidsproces en geen gezinsverantwoordelijkheid is het niet goed voorstelbaar dat ouderen de dragers van een tegencultuur zullen kunnen zijn. In de praktijk blijkt dat ze zelfs onderling nauwelijks nog tot binding in grotere eenheden in staat zijn: daarvoor is er de identificatie met elkaar of met gemeenschappelijke idealen ten enenmale onvoldoende.

Omdat een tegencultuur de crisis in de heersende cultuur laat zien, kan een generatie-eenheid alleen gevormd worden door de potentiele dragers van de heersende cultuur, in feite dus door vertegenwoordigers van de middenklasse. Abma toont met vooral Engelse voorbeelden (daar is het klassensysteem nog redelijk intact) aan, dat de subcultuur van arbeidersjongeren vaak met een delinquent karakter niet beschouwd kan worden als een tegencultuur. In de eerste plaats is het nooit een reaktie op de cultuur van de middenklasse, maar altijd een min of meer gederailleerd onderdeel van de cultuur van de arbeidersklasse, van de maatschappelijk nietdominante groep dus. In de tweede plaats is het een cultuur die in essentie relatief constant van karakter is en duidelijk leeftijds- en seksegebonden is: het gaat om jonge mannen en alleen zolang zij nog niet getrouwd zijn.

Kan de komst van een nieuwe tegencultuur voorspeld worden? Abma zegt daar niets over en zijn theorie heeft ook geen voorspellende pretenties. Dat lijkt me ook alleen maar verstandig, omdat we in feite nog maar een keer met een echte tegencultuur geconfronteerd zijn. De progressieve jeugdbeweging van het begin van deze eeuw heeft zo'n grote invloed niet gehad, niet alleen omdat het toen om een jeugd ging die nog niet over de financiele middelen beschikte om zich economisch te doen gelden, maar omdat er ook nog geen massamedia waren die de ideeen van de voorlopers zichtbaar en hoorbaar aan de hele samenleving konden presenteren.

Het meest verbazingwekkende van de tegencultuur van de jaren zestig blijft immers, dat hij bijna geheel op herkenning en instemming gebaseerd is geweest. Organisatie was er nauwelijks en het werkelijke aantal participanten was zeker aanvankelijk vrij gering. Toch leek alles overal tegelijk te gebeuren en achteraf wil iedereen toen ook jong geweest zijn. De meeste haren werden echter pas na 1970 lang.