Criminaliteit per kilo

Tijdschrift voor Criminologie. Jaargang 32, 2/1990. Verschijnt vier maal per jaar. Prijs: fl.110,- instell., fl.72,50 voor part., fl.50,- stud. Uitgever: Gouda Quint BV, 085-454762. Oorspronkelijk was het de bedoeling dat het themanummer van het Tijdschrift voor Criminologie in zijn geheel gewijd zou zijn aan de beschrijvende criminologie. Maar de redactie heeft gemeend te moeten inbreken in dit thema naar aanleiding van het opzienbarende internationaal vergelijkende slachtoffer-onderzoek dat in het voorjaar voor de nodige opschudding zorgde.

Volgens dit onderzoek, uitgevoerd door topambtenaar Van Dijk van het ministerie van Justitie, zou Nederland het meest onveilige land van Europa zijn. Van Dijk zelf was niet te beroerd om via de media de ernst van de 'zaak Nederland' toe te lichten. Sterker nog, voor de verbreiding van zijn onderzoeksresultaten zocht en vond hij de publiciteit. Het ministerie Van Dijks werkgever maakte in de persoon van staatssecretaris Kosto van de noodklok een deugd door deze onderzoeksresultaten onmiddellijk van een politiek prijskaartje te voorzien.

Na de eerste meer impulsieve reacties op het onderzoek van Van Dijk komt het Tijdschrift voor Criminologie 'nu de emoties enigszins zijn geluwd' met een bijdrage van Bruinsma, Van der Bunt en Fiselier waarin het onderzoek van Van Dijk aan een grondige en gedistantieerde analyse wordt onderworpen.

Dit wetenschappelijke oordeel is vernietigend: zo deugt Van Dijks operationalisering van het verzamelbegrip criminaliteit van geen kanten. Zijn statistische uitwerking vertoont grote en onverantwoorde leemten. Verder is er gegronde twijfel over de beperkingen van de telefonische enquete waarmee de onderzoeksgegevens zijn verzameld.

In de onderzochte landen hadden de onderzoekers te kampen met een hoge non-response, varierend van 18% tot 59%. Stellig heeft die hoge, en per land zeer verschillende non-response de nodige vertekening veroorzaakt van de resultaten, maar in het onderzoek wordt daar geen rekening mee gehouden. Daar komt nog bij dat Van Dijk het over de criminaliteit heeft als een soort van eenheidsworst die per kilo kan worden afgewogen.

Het lijkt gewoonte te worden dat wetenschappers de media opzoeken om hun opzienbarende onderzoeksresultaten aan de man te brengen. Recente ervaringen leren dat enig wantrouwen daarbij op zijn plaats is vooral als het gaat om 'onthutsende of baanbrekende' onderzoeksresultaten. Dit geldt in het bijzonder voor onderzoek dat beleidsgericht is en gebruikt kan worden als politiek argument in de strijd om de verdeling van de algemene middelen. Het wetenschappelijke oordeel over het onderzoek van Van Dijk zoals dit tenminste in het tijdschrift voor criminologie naar voren komt is dus vernietigend. Het is jammer dat op deze beschuldiging (nog) geen weerwoord van Van Dijk is geschreven, maar dat kan moeilijk uitblijven. Ik mag hopen dat uit die polemiek dan ook consequenties worden getrokken.

Toch ligt een conclusie nu al voor de hand: het zwaartepunt van sociaal wetenschappelijk onderzoek hoort niet te liggen bij een ministerie maar ofschoon ook geen garantie voor kwaliteit bij minder belanghebbende universiteiten en onderzoeksinstituten. Tenslotte is een effectieve bestrijding van de criminaliteit meer gebaat bij een realistische en wetenschappelijk onderbouwde inschatting van aard en omvang, dan bij een dramatische voorstelling van zaken zoals die door Van Dijk werd gepresenteerd.

Roofovervallers

Behalve deze frontale aanval op het onderzoek van Van Dijk gaat het themanummer van het tijdschrift voor criminologie over het wie, wat, hoe en waar van misdadig Nederland. Aan variatie in de breedte geen gebrek: roofovervallers, incestplegers, computercriminelen, verslaafden, helers en het criminele wel en wee van een Rotterdamse winkelstraat komen uitgebreid aan de orde.

Los van de onderlinge stijlverschillen en de wijze waarop iedere onderzoeker zijn materiaal heeft verzameld staan alle artikelen in een criminografische traditie: Veel impressies en beschrijvingen, en weinig theorie. Het resultaat is een levendige staalkaart van misdadig Nederland zonder de pretentie te hebben al deze vormen van crimineel gedrag te verklaren.

Op grond van een analyse van 10.000 roofovervallen die de afgelopen 10 jaar gepleegd zijn 603 gewonden en 80 doden (waarvan 7 daders) blijkt dat diefstal met geweld de afgelopen jaren sterk is toegenomen, nog steeds stijgt, en dat het aantal opgeloste roofovervallen daarbij ver en steeds verder achterblijft. Werd in 1980 bijna de helft van de overvallers opgepakt: in 1989 was niet meer dan ruim een derde van de daders de klos. Anders dan verwacht zijn de banken en postkantoren tezamen in 'slechts' 20% van de gevallen het doelwit. Verder zijn vooral de geldtransporten (15%), benzinestations (13%) andere bedrijven (30%) en particulieren (13%) het slachtoffer.

De gemiddelde leeftijd van de moderne roofridders, die vaak als duo opereren of anders wel alleen, ligt rond de 27 jaar, met uitschieters naar beneden (17 jaar) en naar boven (53 jaar). Opmerkelijk is hun actieradius: 60% blijft binnen een straal van 25 kilometer van de eigen woonplaats en slechts 8% neemt de moeite om meer dan 100 km te reizen.

Verder van huis

Tankstation-berovers zoeken het dicht bij huis, terwijl bankovervallers geneigd zijn verder van huis op rooftocht gaan. Uit het oogpunt van preventie is de belangrijkste conclusie van dit onderzoek dat daders vaak in herhaling vallen, en makkelijk van prooi veranderen. Beveiligingsmaatregelen in een bepaalde branche zullen er daarom toe leiden dat de daders elders een doelwit zoeken.

In de publieke opinie overheerst de overtuiging dat vooral drugverslaafden verantwoordelijk zijn voor roofovervallen. Die mythe wordt in dit onderzoek ontzenuwd. Slechts in 17% van de overvallen is sprake van door verslaving gedreven overvallers. In de meeste gevallen gaat het om eertijds vreedzame 'vermogensdeliquenten' inbrekers die in het verloop van hun criminele carriere de bakens hebben verzet naar het gebruik van geweld.

Deze constatering sluit goed aan bij het artikel Jatten alle Junkies? Het antwoord is nee. Wel vaak, maar minder vaak dan over het algemeen wordt aangenomen. Het gevolg van deze misvatting is dat werkelijke dadersgroepen systematisch buiten schot blijven en dat de drugverslaafden als zondebokken verantwoordelijk worden gesteld voor veel te veel crimineel leed. De maatschappelijke schade van drugsgebonden criminaliteit de WRR noemde een bedrag van 1 miljard per jaar is volgens dit onderzoek van Korf een schromelijke overschatting. Een meerderheid van drugverslaafden voorziet in zijn levensonderhoud inclusief de financiering van zijn hang naar de kunstmatige euforie door middel van een uitkering, gewoon werk, prostitutie en drugsverkoop.

Van weer heel andere aard ofschoon niet minder misdadig zijn de bijdragen over computercriminelen en incestplegers. De studie naar computercriminelen verkeert nog duidelijk in een inventariserend stadium. En in het artikel over seksuele misdrijven komt goed naar voren hoe de strafrechtelijke correctie en een medisch ingrijpen in elkaars verlengde liggen. Maar aanleiding van twee typische gevalsbesprekingen wordt een pleidooi gehouden voor een minder stringente strafvervolging, en meer therapeutische hulp. Want: 'Plegers zijn mannen met problemen'. Maar die constatering blijft waarschijnlijk niet beperkt tot alleen de seksuele misdrijven.

    • Jan-Willem Gerritsen