Beroepsonderwijs is een troetelkindje maar niemand wil hetonderhouden

Toen het slecht ging met economie en bedrijfsleven was het logisch dat de overheid het gestaag groeiende beroepsonderwijs financierde, aldus de memorie van toelichting bij de onderwijsbegroting voor 1991. De financiering diende een algemeen belang. Goed beroepsonderwijs was een belangrijke motor om uit het economisch dal te komen. Maar nu het economisch tij is gekeerd, het bedrijfsleven floreert en de overheid haar uitgaven wil verminderen, is het de beurt aan de werkgevers. Bovendien, vindt minister Ritzen, worden er zoveel en zo snel nieuwe technieken in de bedrijven ontwikkeld dat de overheid dit niet meer allemaal hoeft te betalen.

De werkgevers hadden hun conclusie vorige week snel getrokken. ' Dit is geen discussie maar een dictaat', aldus C. Renique, verantwoordelijk voor onderwijszaken bij het Verbond van Nederlandse Ondernemingen (VNO). ' Het maakt de gedachtenwisseling over verantwoordelijkheden van overheid en sociale partners voor het beroepsonderwijs bijna onmogelijk.'

Renique vindt de verwijzing van Ritzen naar de wisselende conjunctuur ' Amerikaans denken dat een Fremdkorper is in de Nederlandse verhoudingen.' Door de grote bijdrage van het Amerikaanse bedrijfsleven aan het beroepsonderwijs en de kleine rol van de overheid, is de kwaliteit van dat onderwijs volgens Renique veel conjunctuurgevoeliger dan in Nederland. ' De redenering van Ritzen is in strijd met het idee van onze verzorgingsstaat. Door een hoger niveau van collectieve lasten hebben wij ons onderwijs veel stabieler gemaakt dan dat in de V. S..Hier kan de overheid dan ook een beleid voeren dat is gebaseerd op brede toegankelijkheid, gelijkheid van kansen en vrijheid van onderwijs. Daar betalen bedrijven en burger belastingen voor.' In West-Duitsland is de hoogte van de collectieve lasten wel vergelijkbaar met Nederland, en betaalt het bedrijfsleven toch flink mee aan inventarissen, opleidingen en gebouwen in het beroepsonderwijs. Maar ook deze vergelijking vindt Renique niet gelukkig. Hij wijst erop dat bij onze oosterburen de praktijkcomponent in het beroepsonderwijs sterk overheerst. Vijf dagen in de week naar school, zoals in het Nederlandse middelbaar beroepsonderwijs (MBO), is er niet bij; de Duitse beroepsopleidingen kennen allemaal een combinatie van leren en werken. Renique: ' In West-Duitsland hebben vakbeweging en pedagogen herhaaldelijk aangedrongen op meer algemene vorming en een groter aantal dagen op school. Ook de werkgevers, met name die in de geavanceerde beroepstakken, willen meer voorbereiding op school'.

Steeds meer differentiaties

De vraag of het terecht is dat de overheid niet meer betaalt voor nieuwe ontwikkelingen die zich met name de technische sector met een sneltreinvaart voltrekken, ligt ingewikkelder. Het MBO bijvoorbeeld bestaat allang niet meer uit brede standaardopleidingen techniek, verzorging of handel. De laatste vijftien jaar zijn er steeds meer differentiaties gekomen, die voor steeds smallere segmenten van het bedrijfsleven gingen opleiden (keramische techniek, onderhoudstechniek, meet- en regelkunde). Deze ontwikkeling wierp de vraag op waar de brede, beroepsvoorbereidende opleiding ophoudt en de 'functiegerichte training' begint die vroeger gewoon in een bedrijfsschool werd gegeven.

Het VNO stelt de overheid verantwoordelijk voor de kosten van de brede beroepsopleiding met zijn diverse differentiaties, die het verbond tot het 'initieel onderwijs' rekent. De ontwikkeling van het middelbaar beroepsonderwijs heeft tot een hooggekwalificeerde beroepsbevolking geleid, aldus Renique, waarvan economie en maatschappij als geheel hebben geprofiteerd. Om daarvoor vooral het bedrijfsleven te laten betalen zou niet terecht zijn. Het VNO sluit echter niet uit dat binnen sommige van die gespecialiseerde MBO-opleidingen het onderwijs te zeer is gericht op specifieke functies binnen het bedrijfsleven om financiering door de overheid te rechtvaardigen.

De achterban van de organisatie is soms nog iets toeschietelijker. Vorig jaar sloot de chemie-gigant DSM in Geleen een overeenkomst met een aantal MTS-sen in de omgeving. Vijf jaar lang stelde DSM lesmateriaal, gebouwen en apparatuur ter beschikking voor complete vakopleidingen regeltechniek, materiaaltechnologie en onderhoudstechniek. Op die manier bracht DSM zijn interne opleiding van 22 maanden voor beginnende werknemers op deze gebieden terug tot acht maanden.

Het VNO was niet blij met dit initiatief. Het schoof de grens tussen de verantwoordelijkheden van overheid en bedrijfsleven in het beroepsonderwijs een stukje op in richting van de werkgevers. Dit jaar kwamen daar ook nog eens de voorstellen van de commissie-Rauwenhoff bij, die het bedrijfsleven ook al dichter bij het 'initieel onderwijs' betrok. Deskundigen uit overheid, onderwijs en ook bedrijfsleven stelden voor om bedrijven en scholen in onder meer MBO en HBO afspraken te laten maken over het gemeenschappelijk gebruik van apparatuur en gebouwen. In ruil daarvoor zouden de werkgevers grotere zeggenschap in het bestuur van het beroepsonderwijs moeten krijgen.

Om de overgang van leren naar werken te verbeteren zouden studenten in het middelbaar en hoger beroepsonderwijs de gelegenheid moeten krijgen kortere of langere tijd, en in elk geval minder vrijblijvend dan in de huidige stages, op een bedrijf door te brengen. De student zou daarvoor loon uitbetaald krijgen. Een dergelijke combinatie van leren en werken (dualisering) bestaat al in het leerlingwezen.

Zware hypotheek

Al met al lijkt een grotere betrokkenheid van het bedrijfsleven bij het beroepsonderwijs langzamerhand onvermijdelijk, maar verloopt de discussie moeizaam. De reactie van het kabinet op het rapport van Rauwenhoff die er al voor 1 september had moeten zijn, laat op zich wachten. En Renique verwacht dat de rekening die Ritzen vooruitlopend hierop in zijn begroting aan het bedrijfsleven heeft gepresenteerd, een zware hypotheek legt op de discussie met de werkgevers over de voorstellen van de commissie.

Ook de vakbeweging, eveneens bij de gedachtenwisseling betrokken, vindt dat Ritzen met zijn voorstellen een ongelukkige start maakt. I. Overdiep, beleidsmedewerker onderwijs bij de FNV: ' Over een grotere bijdrage van het bedrijfsleven valt, onder strikte voorwaarden, best te praten. Maar gezien de manier waarop Ritzen het aanpakt vraag ik mij af of hij weet waar hij mee bezig is.' Overdiep vindt het vreemd dat Ritzen juist op het leerlingwezen wil bezuinigen. Het leer-werksysteem neemt een centrale plaats in de voorstellen van de commissie Rauwenhoff in. Ritzen schrapt de taak die de landelijke organen van het leerlingwezen hebben bij de totstandkoming van de examens. Overdiep kan zich eigenlijk niet voorstellen dat Ritzen dat werkelijk meent. Het zou immers betekenen dat wie straks in Heerlen het diploma voor garagehouder behaalt, daarmee niet meer in Groningen terecht kan. Het garanderen van landelijke exameneisen vindt Overdiep een typische taak van de overheid.

De hogere bijdrage die Ritzen bedrijven wil vragen voor het onderwijs van een dag per week op de scholen van leerlingwezen vindt Overdiep evenmin gelukkig. Ze vreest dat de werkgevers als reactie hun aandeel in de gecombineerde leer-werkroute kleiner zullen maken en meer op hun eigen (functiegerichte) behoeften zullen laten aansluiten. Bovendien zullen de bedrijven de deelnemers strenger gaan selecteren, om het nu betrekkelijk hoge uitvalpercentage te drukken. ' Wie betaalt, bepaalt' redeneert Overdiep. Gezien de ' over het algemeen conservatieve selectiemethoden van de werkgevers' vreest ze dat traditionele risicogroepen als allochtone leerlingen daarvan als eersten het slachtoffer worden. En dat terwijl het leerlingwezen nu juist een soort vangnet moest zijn voor groepen die het in het middelbaar beroepsonderwijs niet kunnen bolwerken.

Ritzen schrapt ook de subsidie aan het gezamenlijk overleg van bedrijfsleven en scholen over hoe ontwikkelingen in het beroepsleven kunnen worden vertaald in exameneisen. Daarmee neemt hij een aanbeveling van het rapport-Rauwenhoff over waarin kritiek wordt geleverd op de lange procedures die dit overlegcircuit met zich meebrengt. Toch acht Overdiep deze bezuiniging een tactische fout. ' Het overleg betrekt de werkgevers structureel bij het beroepsonderwijs. Het is voor de overheid een handig aanspreekpunt voor bijvoorbeeld het starten van stages of het vorm geven van korte opleidingen. Door dat nu te schrappen verdwijnt de betrokkenheid van het bedrijfsleven weer.' Ritzen kondigde aan een discussie met het bedrijfsleven te willen. Overdiep voorziet eerder een 'confrontatie'. ' De vraag is of de minister wint.'