Bedrijven verhuizen niet voor schoon milieu; Al zegt 15procent dat wel te doen wanneer milieunormen nog strenger worden

Vijftien procent van de industriele bedrijven overweegt te verhuizen als de overheid de milieunormen sterk aanscherpt. Althans dat meldde het marketingsonderzoeksbureau Heliview uit Breda daags voor de behandeling van het Nationaal Milieubeleidsplan Plus in de Tweede Kamer.

'Niemand gelooft mij,' aldus onderzoeksleider drs. H. van Elderen, 'maar het is puur toeval dat we met het onderzoek in de publiciteit komen nu het NMP in de Kamer behandeld wordt. Het onderzoek was al een tijdje klaar, maar vanwege de Golfcrisis hebben we de publiciteit uitgesteld. Toen ambtenaren van Economische Zaken mij opbelden, merkte ik pas dat het kamerdebat op handen was.'De ambtenaren die het debat voor minister Andriessen aan het voorbereiden waren, schrokken van de vijftien procent die aan verhuizen denkt en informeerden naar de achtergronden. Maar op vragen naar de motieven en de verhuisrichting kon Heliview niet meteen antwoord geven, omdat het onderzoek, dat eind '89 werd uitgevoerd, een marktverkenning was voor leveranciers van milieutechnologie en milieuadviezen. Van Elderen: 'Daarom hebben we in september een vervolgonderzoekje ingesteld naar bedrijven die verhuizing overwegen.'

Daarin worden gegevens verzameld over veertig van de ca. zestig potentiele verhuizers (15 procent van de 417 bedrijven). Ruim de helft daarvan wil de produktie verplaatsen binnen Nederland (vooral binnen de eigen regio). Van Elderen: 'Ze verhuizen binnen de eigen regio naar plaatsen waar ze gemakkelijker aan de nieuwe normen op het gebied van stank en geluid kunnen voldoen. Bij voorbeeld naar een lokatie op een industrieterrein. Anderen beginnen elders opnieuw omdat ze daar gemakkelijker preventieve maatregelen tegen bodemvervuiling kunnen nemen.'Iets minder dan de helft overweegt verhuizing naar het buitenland. De meeste willen in Europa blijven (Belgie, Duitsland, Frankrijk, Engeland en Spanje), een paar (grote) bedrijven denken aan ontwikkelingslanden als Taiwan, Thailand en Brazilie. Slaan bedrijven inderdaad op de vlucht voor onze strengere milieunormen ?

Industriele vluchthypothese

Bedrijven die om die reden verhuizen 'nemen grote risico's' volgens prof. dr. K. Bouwer, hoogleraar milieugeografie in Nijmegen. Geografen doen al lang onderzoek naar de vraag waarom bedrijven zich op een bepaalde plaats vestigen (de zogenaamde vestigingsplaatsfactoren). Vroeger ging het daarbij vooral om zaken als grondstoffen, arbeidskrachten, afzetmarkten, infrastructuur en transportkosten. Na de Tweede Wereldoorlog kwam daar de invloed van de staat bij, die met subsidies bedrijven probeert te lokken, en de laatste twintig jaar is ook het milieubeleid een vestigingsplaatsfactor geworden. Het is dan de vraag of bedrijven die (veel) vervuiling veroorzaken zich verplaatsen van landen met strenge milieueisen naar landen die, in ruil voor extra werkgelegenheid en inkomen, de vervuiling op de koop toe nemen.'In Nederland is daar weinig onderzoek naar gedaan, ' aldus Bouwer. 'Uit de jaren '60 en '70, toen de milieuwetgeving op gang begon te komen, zijn wel een paar voorbeelden bekend van bedrijven die zich vanwege de milieueisen uiteindelijk elders gevestigd hebben. Het chemieconcern Montedison koos toen niet voor het Sloegebied bij Vlissingen, maar voor Antwerpen evenals Progil, dat niet zozeer vanwege milieunormen alswel vanwege de tegenstand van actiegroepen afzag van Amsterdam. Upjohn breidde in 1977 niet uit in Delfzijl maar week uit naar Portugal. Het gaat hier echter om bedrijven die nog moesten investeren.'Bij bestaande bedrijven ligt het volgens Bouwer anders. Die verhuizen niet zo snel omdat ze door investeringen tamelijk vast zitten aan de bestaande lokatie. Als ze verhuizen leidt dat tot kapitaalverlies en dat moet weer gecompenseerd worden door de voordelen van een nieuwe lokatie.

Een bedrijf kan volgens Bouwer wel zeggen dat het vertrekt vanwege milieueisen, maar het is moeilijk te controleren of dat inderdaad het geval is. 'Milieu als vestigingsplaatsfactor is moeilijk te isoleren van zaken als loonkosten, belastingfaciliteiten en subsidies. Er kunnen een heleboel redenen voor verhuizing zijn, waarbij nieuwe milieueisen of tegenstand van milieugroepen de druppel zijn die de emmer doen overlopen.' Bedrijven die toch al van plan waren om te verhuizen kunnen door een strenger milieubeleid over de drempel geholpen worden. In de Verenigde Staten is meer onderzoek gedaan. Bouwer verwijst naar een 'uitermate degelijke' studie van de Amerikaan Jeffrey Leonard. In zijn boek Pollution and the Struggle for the World Product. Multinational Corporations, Environment, and International Comparative Advantage (Cambrigde University Press 1988) toetst hij twee hypothesen. Allereerst de 'industriele vluchthypothese' die stelt dat een industrie vertrekt wegens de hoge milieulasten. Daarnaast de 'vervuilingshaven-hypothese', die ervan uitgaat dat (ontwikkelings)landen die willen industrialiseren bedrijven lokken door ze geen of soepele milieuregels op te leggen.

Coulante opstelling

In de jaren '70, toen de Amerikaanse regering met steeds hardere federale milieumaatregelen kwam, klaagden kritici dat veel bedrijven zouden verhuizen. Binnen de Verenigde Staten verplaatsten produktietakken zich inderdaad vanuit het Noord-Oosten naar het Zuiden en veel Amerikaanse bedrijven vestigden dochterondernemingen in het buitenland.

Maar kwam dat ook doordat de ene staat de federale milieuwetten strenger uitwerkte dan de andere? En verplaatsten Amerikaanse multinationals hun produktie naar landen als Mexico omdat ze daar geen last hadden van milieuwetten? Uit onderzoek bleek dat er binnen de Verenigde Staten in het algemeen geen sprake van was dat bedrijven verhuisden van staten met een streng milieubeleid naar staten met een coulante opstelling.

Leonard onderzocht daarom of dat bij een specifieke groep bedrijven, de vervuilingsintensieve industrieen, dan wel het geval was. Hij bestudeerde hun investeringspatronen en analyseerde hun goederenstromen, maar vond, op een paar uitzonderingen na, geen bevestiging voor zijn vluchthypothese. Die uitzonderingen betreffen zwakke bedrijven, die vanwege hun verouderde en daardoor sterk vervuilende technologie niet alleen moeilijk aan de milieueisen konden voldoen maar ook vanwege de eisen van arbeidsinspectie (slechte werkomstandigheden) in de problemen kwamen. Daarnaast vertrokken er bedrijven die gevaarlijke stoffen (asbest, arseen, pesticiden) of chemische grondstoffen produceerden, maar bij nader onderzoek bleken zij te verhuizen vanwege aanwezige grondstoffen, goedkope arbeidskrachten, afzetmarkten en een lage rente.

Leonard vond ook geen bevestiging voor zijn vervuilingshavenhypothese. Amerikaanse bedrijven trokken niet naar Mexico, het standaardvoorbeeld van de 'industriele vuilnisvatpolitiek', omdat ze daar geen last hadden van milieuwetten, maar vanwege de lage lonen en de fiscale voordelen. Bouwer: 'Landen die openlijk riepen dat vervuilende industrieen welkom waren zoals Brazilie en een aantal Afrikaanse landen hebben er weinig industrieen mee aangetrokken.'Bouwer vindt het onverstandig van bedrijven als zij vertrekken wegens de strengere milieunormen. Over de hele wereld zie je volgens hem 'dat de milieunormen snel evolueren naar een strenger milieubeleid. Er is nog wel sprake van een faseverschil, maar de overgang van 'geen' naar een 'goed' milieubeleid blijkt zich veel sneller te voltrekken dan men zou verwachten. Onder andere door de invloed van actieve milieubewegingen. Je ziet nu al dat industrieen die hun produktie naar die landen verplaatsen een moderne uitrusting meenemen. De industrieen die zich de laatste jaren in jonge industrielanden vestigen, zijn relatiefschone industrietakken. Jonge industrielanden met een redelijk milieubeleid trekken ook niet minder industrieen aan dan landen met een uitgesproken zwak milieubeleid.'

Afvalbaronnen

Uit het onderzoek van Heliview kwam ook naar voren dat veel bedrijven een afwachtende houding aannemen omdat ze denken dat na 1992 de strengere Nederlandse milieueisen afgezwakt zullen worden in het kader van de harmonisatie van de EG-milieuwetgeving. Bouwer: 'Er bestaan momenteel tussen EG-landen ondanks de EG-richtlijnen nog grote verschillen in wetgeving. Zo verschilt de definitie van wat gevaarlijk afval is per land. In een harmonisatieproces, dat lang zal gaan duren, zullen die verschillen verdwijnen. Maar ik verwacht in het algemeen geen afzwakking van bestaande strenge eisen. Landen die nu achterblijven zullen hun normen moeten optrekken. Kijk maar naar Spanje en Italie. Bovendien is het niet zo dat Nederland in alle opzichten voorop loopt in de EG. Wel wat betreft de hoge kwaliteit van de planning (nota's, regels, procedures) en de hoge mate van integratie van normen en wetten, maar niet wat betreft de uitvoering en de doorwerking naar de werkvloer.'Naar andere EG-landen verhuizen vanwege de milieueisen, biedt volgens Bouwer alleen op de korte termijn enig respijt. 'Misschien dat een bedrijf in Zuid-Limburg zou kunnen verhuizen naar Wallonie omdat het daar zijn chemisch afval gemakkelijker bij 'afvalbaronnen' kwijt kan. Maar dan moeten alle andere omstandigheden gelijk zijn en moeten die afvalbaronnen door kunnen gaan met hun praktijken.'Bedrijven kunnen volgens Bouwer maar beter anticiperen op strengere milieueisen. Waar die eisen nu nog niet bestaan, zoals in Oost-Europa en de Derde Wereld, zullen die onder druk van actieve milieubewegingen in de toekomst flink aangescherpt worden. 'Preventie is goedkoper dan aanpassing en sanering achteraf.'Voor de echt zwakke, technologisch verouderde bedrijven die geen schone technologie kunnen betalen, zou volgens Bouwer een apart fonds gecreeerd moeten worden. Dat zou in EG-verband moeten gebeuren om het probleem van de concurrentievervalsing te vermijden. Ook Oosteuropese bedrijven zouden daar gebruik van moeten kunnen maken, 'want die zijn zo verouderd dat ze meteen hun poorten moeten sluiten als ze aan de Europese milieunormen zouden moeten voldoen.'Dat is ook in het belang van het Westeuropese milieu, want de oostenwind en de Oosteuropese rivieren zorgen ervoor dat hun verontreinigingen ook in ons milieu terechtkomen.