Zijn verwachtingen in toom te houden met codes?

Professor Buck heeft ten onrechte verwachtingen gewekt over een stofje dat AIDS zou kunnen bestrijden, dat is intussen wel duidelijk. Maar was het ook onterecht dat hij verwachtingen heeft gewekt? Als dat zo is en het bestuur van de Technische Universiteit Eindhoven zegt dat met zoveel woorden dan is er aanleiding om een gedragscode voor te stellen, zoals onder anderen Joyce Birfelder, directeur van de Stichting Biowetenschappen Maatschappij heeft gedaan. 'De media moeten erop kunnen vertrouwen dat wat onderzoekers hun vertellen, gechecked en dubbel gechecked is', staat onder haar foto in NRC Handelsblad van 1 september.

Het lijkt wel of er ineens een gat is gevallen in ons vertrouwen in de wetenschap, en dat het gat nu moet worden gedicht met een gedragscode. E. J. Boer, in NRC Handelsblad van 4 september, betoogt dat dit onzin is: er is een kwaliteitscontrole-systeem in de wetenschap dat nog steeds goed functioneert, en daar hoeven geen gedragscodes aan te worden toegevoegd. Ook al zou hij gelijk hebben (daarover later), het probleem zit niet in de feitelijke juistheid of onjuistheid van een bewering van een wetenschapsmens, maar in de manier waarop verwachtingen worden gewekt. Dan gaat het om handelwijzen, niet om beweringen die al of niet waar blijken te zijn.

In principe is er geen bezwaar tegen een gedragscode voor het wekken van verwachtingen. Bij het aan de man brengen van een produkt mag men niet valse verwachtingen wekken. Het caveat emptor geldt allang niet meer, de verkoper kan aansprakelijk worden gesteld voor 'verborgen gebreken' en voor wat de Amerikanen noemen de implied warrant die van zijn manier van aanbieden uitgaat, tot aan de gebruiksaanwijzing toe. Bij het verkopen van kansen op een produkt, van beloften die nog moeten worden waargemaakt kan men eveneens eisen dat dit niet onterecht gebeurt, en dat controles en tegencontroles zijn uitgevoerd.

In het handelsverkeer is het principe van 'implied warrant' zover doorgevoerd, dat een verkoper die te goeder trouw verwachtingen uitspreekt, en deze dus ook bij zijn gehoor doet ontstaan, toch aansprakelijk kan worden gesteld als ze ongefundeerd blijken te zijn. Alleen als hij de gebruikelijke voorzorgen en controles heeft uitgevoerd kan hij zich vrijpleiten. Iets dergelijks geldt in de professionele dienstverlening, waar bij conflicten de betrokken beroepsbeoefenaar moet kunnen aantonen dat hij volgens de, in de beroepspraktijk geldende normen van een goede praktijk (good practice) heeft gehandeld.

Geldt dit alles onverkort voor wetenschappelijk onderzoek en de beloften die expliciet of impliciet aan de onderzoeksresultaten zijn gekoppeld? Dat hangt af van wat men als de aard van wetenschappelijk onderzoek ziet en van de mate waarin er 'goede praktijken' zijn gegroeid. En dan is het belangrijk niet de gangbare maar naieve beelden van wetenschap (bij het publiek en bij wetenschapsmensen zelf) als uitgangspunt te nemen.

Valse verwachtingen, zou men kunnen zeggen, zijn een integrerend onderdeel van de wetenschapsbeoefening. Gaat de wetenschap niet prat op de herzienbaarheid van haar resultaten? De weidse generalisatie die na enkele jaren verder onderzoek toch onhoudbaar bleek? Vooruitgang die bestaat uit het omverwerpen van eerdere theorieen? Enzovoorts.

Zorgvuldigheid

Uiteraard is zorgvuldigheid nodig, en zouden controles op verborgen gebreken van de kennisprodukten moeten zijn uitgevoerd. Zo werkt het ook wel voor concrete empirische resultaten, althans, na enige tijd (men denke aan de gevallen van polywater en koude kernfusie). Maar als het gaat om claims over de betekenis en reikwijdte van zulke resultaten ligt het anders: hoe zou men dat kunnen controleren anders dan door het uit te proberen? Wat is een verborgen gebrek in een belofte? Binnen de wetenschap wordt het probleem van onterechte verwachtingen in toom gehouden door de principiele aanvaarding van de mogelijkheid van onterechtheid. In een cultuur waarin men als vanzelfsprekend kan zeggen dat veel verder onderzoek nodig is, maar intussen wel van alles kan claimen, is het haast onmogelijk om onterecht verwachtingen te wekken. Is er niet juist 'collegiale toetsing' en 'georganiseerde twijfel' voor het wieden van wat verkeerd is? De individuele onderzoeker kan binnen de wetenschappelijke wereld zijn gang gaan. Het ergste dat kan gebeuren is dat na enkele keren zichtbaar tekortschieten zijn wetenschappelijke reputatie schade oploopt.

Dat deze cultuur in de wetenschap in stand blijft, is mogelijk doordat aan de claims geen gevolgen verbonden zijn, anders dan keuzen die voor vervolg-onderzoek worden gemaakt. Dat ligt anders als er maatschappelijke consequenties kunnen zijn, zoals bijvoorbeeld investeringen in gezondheidszorg en visies op de hanteerbaarheid van het AIDS-probleem. De investeringen zijn groter, de zorgvuldigheid zou dan ook groter moeten zijn.

Dan wreekt zich echter dat de wetenschapper in actie niet geleerd heeft zich te beheersen in het mobiliseren van hulpbronnen. Gouden bergen mogen beloofd worden (want wetenschap is overal goed voor), en als het tegenvalt is het standaard-excuus: het was maar een hypothese, of een voorlopig resultaat. 'Jullie hadden daar niet zo op mogen bouwen, jullie weten toch dat wetenschap feilbaar is.'

Onbegrip

Dat het publiek dat aangesproken wordt een ander idee van wetenschap heeft, bijvoorbeeld dat wetenschap 'harde feiten' en 'definitieve waarheden' levert, is dan een teken van onbegrip bij het publiek, en aanleiding om op meer onderwijs en voorlichting aan te dringen.

In zo'n situatie is het niet duidelijk wanneer het nog terecht is om bepaalde verwachtingen te wekken, en hoe de betrokkenen zich moeten gedragen. Dus kan men in algemene termen pleiten voor een gedragscode voor onderzoekers. Ze mogen niet 'alle gebruikelijke voorzichtigheid' laten varen (Felix Eijgenraam, in NRC Handelsblad van 6 sept. 1990). Maar hoe zou zo'n code eruit moeten zien? Wat is dan die 'gebruikelijke voorzichtigheid'? Wetenschappelijk onderzoek kan van alles opleveren, dus waarom zou je niet van alles beloven? In de wetenschap wordt de grootspraak in toom gehouden door de vrees reputatie te verliezen (waarbij verschillende onderzoekers de afweging nog wel anders leggen). Naar buiten is er geen controle op reputaties, alleen de traditie dat men uberhaupt niet naar buiten treedt met verwachtingen, tenzij in uitzonderlijke omstandigheden. Deze traditie wordt steeds verder uitgehold door de zogenoemde persconferentie-wetenschap (publication by press-conference), zonder dat er een praktijk is ontstaan waarin controles en tegencontroles fungeren. Buck is maar een voorval.

Een gedragscode zou pas zin hebben als er zo'n praktijk is, want dan kan deze door de code nader worden omschreven en gepreciseerd, en zijn er ook controle- en sanctie mogelijkheden. Zonder zo'n praktijk is de gedragscode een symbolische actie, die niet doorwerkt in het gedrag van onderzoekers. Professionele codes bij ingenieurs, artsen en advocaten mogen hun beperkingen hebben, ze zijn gekoppeld aan concrete praktijken, en verschillen duidelijk van 'declaraties' van goede bedoelingen, die men af en toe bij chemici, fysici, en biologen aantreft.

Dat wil niet zeggen dat er helemaal geen praktijken rondom wetenschappelijk onderzoek gegroeid zijn waarin niet meer zomaar verwachtingen kunnen worden gewekt. Als steun voor grotere onderzoeksprojecten of onderzoeks-stimuleringsprogramma's moet worden geworven, kan men niet zonder minder of meer gefundeerde beloftes. De financiers werken dan met een gezonde dosis cynisme en met adviezen van deskundigen die door hun feitelijke of mogelijke concurrentiepositie eerder de luchtballonnen zullen doorprikken. Dit is geen garantie dat uitglijders worden vermeden, maar er zijn checks en balances. Er is geen behoefte aan een gedragscode omdat het om specifieke relaties tussen actoren gaat. De implicatie zou dan zijn dat pas als een wetenschapper als een 'zender' van verwachtingen tegenover een ongedifferentieerd publiek staat, en er geen controles zijn, een gedragscode nodig is. Het principiele punt blijft echter dat er claims over toekomstige ontwikkelingen en mogelijkheden moeten worden gemaakt, die heel wel onterecht kunnen blijken, zonder dat men kan stellen dat er onterecht verwachtingen gewekt zijn.

Een andere praktijk waarin verwachtingen een rol spelen, is die van technologische toepassingen van wetenschappelijk onderzoek. Een octrooi op basis van een laboratoriumvondst is bijvoorbeeld geen recept voor een werkend produkt. Men koestert verwachtingen, kan het octrooi op die basis verkopen of licenties geven, maar het zijn jachtvergunningen voor een jacht die nog jaren kan duren en die regelmatig mislukt. Hier geldt de regel 'de koper zij gewaarschuwd', en de kopers zijn veelal redelijk deskundig of verzekeren zich van deskundig advies.

Geen 'tegenpartij'Terug naar Professor Buck die publiekelijk te kwistig met verwachtingen strooide. Het is nu duidelijk dat het probleem eigenlijk niet is dat hij zich onverantwoordelijk gedroeg, de eer van zijn stand schaadde, en voor herhaling van zijn vergrijp moet worden behoed met behulp van een gedragscode.

Het probleem is dat er geen 'tegenpartij' is in wisselwerking waarmee wetenschappers een praktijk van claims over onderzoek en controle daarop kunnen ontwikkelen. Ze zenden hun beloften uit naar het publiek, in de hoop dat zo een draagvlak ontstaat voor hun concrete acties (bijvoorbeeld naar onderzoeksfinanciers). De enige herkenbare partij in dezen wordt gevormd door de publiciteitsmedia. Die vormen nu dan ook het andere mikpunt van voorstellen voor gedragscode, of zelf-regulering. Er moet weerwerk komen, maar moet het van de media komen? Er kunnen twee conclusies worden getrokken. Ten eerste dat inderdaad kritische evaluatie door anderen dan de direkt betrokken wetenschapsmensen zinnig is. Als 'kritiek' door buitenstaanders wordt geleverd, wordt snel gezegd dat dit een uiting van anti-wetenschappelijke houding is dan wel dat die critici er niets van begrijpen. Van een kunstcriticus kan niet zo gemakkelijk worden gezegd dat hij of zij anti-kunst is: er is een traditie van kunstkritiek gegroeid en de rol van kunstkritici is erkend. Een algemene wetenschapskritiek-traditie bestaat niet, al zijn er tekenen van verandering. Specifiek commentaar van kritische wetenschappers was er al wel (en was in elk geval in eigen kring bekend), beschouwingen van top-wetenschapsmensen worden steeds vaker gepubliceerd, wetenschapsjournalisten dragen steeds meer bij aan evaluaties en steeds meer dagbladen publiceren artikelen van wetenschappers. Zo kan een praktijk groeien waarin de kritische evaluatie van verwachtingen kan worden ingebed. Het is dan ook niet meer een specifiek probleem van NOS-journalist X of onderzoeker Y, maar een vraag naar het functioneren van een wegende wetenschapskritiek.

Het zondebok-verhaal (voor de een is de zondebok Buck, voor de ander de NOS of 'de' journalistiek) is dus misplaatst. Er hoeven geen Zwarte Pieten te worden doorgeschoven: eerst tussen onderzoekers en media, nu ook naar een College van Bestuur van de Technische Universiteit Eindhoven en daarachter weer een kritische universiteitsraad. Veel belangrijker is, dat een netwerk van actoren zichtbaar wordt, waarin elke partij om haar moverende redenen handelt. De medewerkers van Buck, AIDS-onderzoeker Goudsmit in Amsterdam, het Amerikaanse blad Science dat een onderzoeksartikel van Buck c.s. publiceerde, Bucks collega Van Boeckel die kritiek had en wegliep (had hij een aanleiding nodig?). Nu ook het College van Bestuur van de TU Eindhoven, dat zoals alle universiteitsbesturen vandaag de dag attent is op 'goudhaantjes' waarmee de universiteit eer kan inleggen. En de universiteitsraad die in de voortdurende machtsstrijd met het College van Bestuur nu de kans grijpt om te scoren. Enzovoorts.

In deze wirwar van acties en reacties komen acties als die van Buck en de evaluatie daarvan tot stand. Een gedragscode voor de onderzoeker kan ten hoogste een deel reguleren; het gaat om de kwaliteitsbeheersing van het systeem zelf. Als Buck op non-actief is gesteld, zullen elders weer verwachtingen worden gewekt die onterecht kunnen zijn. Het hoort bij de aard van de wetenschap en van het systeem van wetenschapsbeoefening. De eigenlijke, maar haast onbeantwoordbare vraag is dan ook, of men dit element van de wetenschap kan wegstrepen zonder de dynamiek van het systeem aan te tasten. Nee, is het antwoord. Wat anders moet, is de inbedding van de wetenschap in de maatschappij. Een praktijk van evaluatieve wetenschapskritiek is daarbij een essentiele stap.

    • Techniek aan de Universiteit Twente
    • Arie Rip