President Rekenkamer houdt van initiatief; Onorthodoxambtenaar

Hij ontvluchtte tewerkstelling in Nazi-Duitsland, werd marineofficier en voer naar de West. Als piepjong officier werd hij belast met de automatisering van de administratie. Gewapend met die ervaring maakte Franciscus Gerardus Kordes de overstap naar Binnenlandse Zaken en later naar de Algemene Rekenkamer, waarvan hij in 1984 president werd. Van een stoffig, enigszins irrelevant instrument is sindsdien geen sprake meer. 'Kordes heeft van de Rekenkamer een slagvaardig instrument gemaakt.' Dat de Algemene Rekenkamer een onafhankelijk instituut is dat ten behoeve van regering en parlement de uitgaven en ontvangsten van het Rijk op rechtmatigheid en doelmatigheid controleert, zal de doorsnee burger nauwelijks bekend zijn. Een instituut met zo'n taakstelling oefent nu eenmaal geen onweerstaanbare aantrekkingskracht uit op de verbeeldingskracht van de belastingbetaler. Verreweg het grootste deel van haar 176-jarig bestaan heeft de Rekenkamer in grijze anonimiteit geleefd. De gortdroge rapporten waren in de stijl van jaarverslagen geschreven. Van de conclusies die het eerbiedwaardige instituut trok na een incidenteel onderzoek naar het gebruik door het Rijk van belastinggeld, lagen regering en parlement zelden wakker.

Daarin is in de jaren tachtig om twee redenen verandering gekomen. Wakker geworden door allerlei affaires rondom daverende overschrijdingen van Rijksuitgaven, is de Tweede Kamer het afgelopen decennium controlebewust geworden. Minstens even belangrijk was dat de benoeming in 1984 van Frans Kordes tot de nieuwe president van de Rekenkamer een gelukkige greep bleek te zijn. Kordes wist in zes jaar van een stoffige, enigszins irrelevante instelling een modern bedrijf te maken, waar de politiek met respect naar opziet.

Want dat het gezag van de Rekenkamer sinds 1984 is toegenomen, staat voor de deskundigen vast. 'Kordes heeft van de Rekenkamer een slagvaardig instrument gemaakt', zegt Willem Vermeend, voorzitter van de Kamercommissie voor Rijksuitgaven. Of dit toegenomen gezag ook heeft geleid tot een beslissende verbetering in de manier waarop het Rijk met belastinggeld omspringt, is een meer omstreden zaak. Kordes zelf meent van wel. Het 'frappez, frappez toujours' begint volgens hem steeds meer dividend op te leveren. De departementen werken keihard om het financieel beheer te verbeteren, constateert hij. Ex-minister van financien Ruding valt hem bij. De achterstand in de controle zal eind 1990 zijn ingelopen, luidt zijn prognose. Een dissident geluid laat een internationaal bekend hoogleraar van de Erasmus-universiteit horen: 'Kordes mag een goede boekhouder zijn. Maar er is meer nodig. Wij hebben de overheidsfinancien nog lang niet in de klauwen.' R. van Putten is goed geplaatst om een genuanceerd oordeel te vellen. Hij heeft vijf jaar bij de Rekenkamer gewerkt en is nu medewerker van de Kamercommissie voor Rijksuitgaven. De Rekenkamer kan niet zo heel veel aan het verschijnsel van overschrijdingen van Rijksuitgaven doen, omdat zij nu eenmaal achteraf controleert, betoogt hij. Maar de Rekenkamer heeft aanzienlijk bijgedragen aan de totstandkoming van een klimaat, waarin de aandacht voor de financiele beheersbaarheid centraal staat. Dat betekent dat ministers en financiele directies bezig zijn uitgaven beheersbaar te maken en ramingen te verbeteren, zodat de voorspelbaarheid van de uitgaven groter wordt.

Kordes maakt een toegangkelijker indruk dan de doorsnee topambtenaar in Den Haag. Hij is een nuchtere, zakelijk denkende man die helder formuleert en goed kan luisteren. Onder Kordes' voorgangers bestond er nog een hierarchische muur tussen het College (de president en twee leden) en de onderzoekers. Nu worden de onderzoekers zonodig rechtstreeks bij de besluitvorming in het College betrokken.

Een snellere rapportage over actuele onderwerpen, vervanging van het notarisproza door een heldere stijl en het publiceren van talrijke tussenrapporten zijn voorname kenmerken van het nieuwe beleid. 'Een zorgvuldiger dosering van de feiten was nodig om beter door de politiek te worden gelezen', zegt Kordes. Verder vond hij het nodig niet alleen fouten aan het licht te brengen, maar ook aanbevelingen voor oplossingen aan te dragen.

Voor een deftige functie als president van de Rekenkamer kan Kordes zich soms onorthodox gedragen. Als ex-marineofficier zag hij er destijds bij het opstellen van het Walrusrapport niet tegen op hard tegen de Marine aan te schoppen. Bij een onderzoek naar de beveiliging van musea liet hij nagaan of het in een bepaald museum mogelijk zou zijn om schilderijen te ontvreemden.

Het enthousiasme waarmee Kordes over de Rekenkamer spreekt, doet bijna aandoenlijk aan. De Rekenkamer is zijn troetelkind, zijn speelgoed. In de Kamer heeft hij de reputatie niet altijd weerstand te kunnen bieden aan de verleiding om in de commissie voor Rijksuitgaven door te zagen over de deugden van de Rekenkamer onder zijn beheer. 'Dat wordt in de commissie wel eens ervaren als het opzetten van een overbekende grammofoonplaat', zegt een ingewijde. Enige ijdelheid kan Kordes niet worden ontzegd. Dat zijn onvermoeibare streven om de Rekenkamer in de publiciteit te brengen mede door die ijdelheid wordt gevoed, wordt deze aimabele man graag vergeven.

Franciscus Gerardus Kordes werd in 1926 in Rotterdam geboren. Zijn vader was daar stationschef bij de NS. Kordes was 13 jaar toen de Duitsers zijn geboortestad bombardeerden. Bij een razzia in november 1944 werd hij voor verplichte tewerkstelling naar Duitsland weggevoerd. Dat vertelt pater Andreoli, die de jonge Kordes in dat oorlogsjaar les op op de middelbare school in Rotterdam gaf. Kordes wist te ontvluchten en als verstekeling in de remwagen van treinen via lange omwegen in het brandende Duitsland de Nederlandse bodem te bereiken.

Na de bevrijding meldde hij zich voor de onderofficiersopleiding bij het Corps Mariniers. Een kornuit uit die tijd herinnert zich dat Kordes toen vooral opviel door de brullende commandostem die hij kon opzetten. In 1946 begon hij de beroepsopleiding voor marineofficier in Den Helder. Er heerste in ons land toen nog zo'n textielschaarste dat hij en zijn jaargenoten geen adelborstcostuum hebben gedragen.

Het jaar daarop voer Frans Kordes op een oorlogsbodem naar de West. Samen met (het latere Kamerlid) J. de Boer trad hij op dat schip wel eens als misdienaar op. Een beetje schuchter en wereldvreemd vonden zijn vrienden hem toen wel. Maar zij herinneren hem nu vooral als een goede en integere vriend.

De piepjonge marineofficier Kordes keeg opdracht om zich te bekwamen in de automatisering van de administratie. Dat was zuiver toeval, want Kordes wist op dit terrein van toeten noch blazen. Die toevalligheid zou een sleutel tot zijn verdere loopbaan vormen. In 1966 maakte hij de niet alledaagse stap van actief marineofficier naar burgerambtenaar: Kordes moest bij Binnenlandse Zaken de automatisering van het Rijk gaan voorbereiden. Vier jaar later werd hij op dat departement tot directeur overheidsorganisatie en automatisering benoemd.

In 1981 werd hij lid van het College van de Algemene Rekenkamer. Die overgang was minder ingrijpend dan de stap van de marine naar Binnenlandse Zaken. 'Ik had daar immers de nodige kennis opgedaan hoe de Rijksdienst functioneerde, en dat paste in het takenpakket van de Rekenkamer', zegt Kordes nu. Met zijn nadruk op het veelvuldig publiceren van rapporten en het ontplooien van eigen initiatief heeft Kordes regering en parlement gedwongen om met meer respect naar de Rekenkamer te kijken. Ook Ruding spreekt prijzend over Kordes, al beschouwt hij diens beleid niet geheel zonder risico's. De Rekenkamer mag zich immers alleen met controle bezighouden en niet met het beleid zelf. Kordes ziet dit gevaar wel. 'Wij bedrijven geen politiek, maar beoordelen wel de daden van de politiek', is zijn devies. Over het algemeen is dit laveren Kordes goed afgegaan, vindt Ruding, al waren er wel enkele uitglijders. Zoals de affaire-Fokker, waarin de president te snel een mening heeft gegeven.

Kordes ontkent zich wel eens een loopjongen van de Kamer te hebben gevoeld. Beide Kamers hebben de bevoegdheid de Rekenkamer bepaalde controleverzoeken te doen. De Rekenkamer heeft het recht zulke verzoeken naast zich neer te leggen. 'Maar als het enigszins kan, voldoen wij aan het verzoek van de Kamer', zegt Kordes. 'De Staten-Generaal zijn immers onze beste klant.'

'Wij zijn echt helemaal onafhankelijk', antwoordt Kordes op de vraag of hij wel eens onder druk van een bewindsman heeft gestaan om een concept-rapport te veranderen. De leden van de Rekenkamer kunnen tot hun pensioengerechtigde leeftijd van 70 jaar niet gedwongen worden op te stappen. Alleen bij uitspraak van de Hoge Raad kan ontslag volgen. Deze bepaling is een extra garantie voor de onafhankelijkheid van het College.

Kordes (het rozet van het Commandeurschap in de Orde van Oranje Nassau in het knoopsgat) rookt noch drinkt. Met zo'n ascetisch leven kan hij heel oud worden. Gaat hij binnen afzienbare tijd met pensioen of blijft hij tot zijn 70-ste aan? Dat laatste acht hij niet waarschijnlijk. Er is een trend om eerder uit dit soort functies te vertrekken, zegt hij, maar meer wil hij er niet over kwijt. Kordes is slim genoeg te weten dat er onmiddellijk aan je stoelpoten wordt gezaagd, wanneer voortijdig de datum van je vertrek bekend wordt. Een kwestie van geloofwaardigheid.

Foto NRC Handelsblad/ Leo van Velzen

    • Eric Boogerman