Onweer in de jaren '20

Als kind was ik bang van onweer. Ik denk dat ik die angst vooral van mijn vader heb afgekeken, wiens voorbeeld voor mij, ook in andere opzichten, niet altijd even heilzaam is gebleken. Gelukkig heb ik mij ook aan mijn moeder gespiegeld, zodat mijn karakter niet helemaal tot mislukken was gedoemd. Van mijn moeder heb ik, om maar iets te noemen, een zekere onversaagdheid overgenomen die zich, in mijn geval, heel goed met een behaaglijke traagheid heeft laten verbinden. Hoe het zij, zodra het in de jaren twintig 's zomers een beetje begon te rommelen, verschool mijn vader zich in zijn leunstoel. Hij liet het aan mijn moeder over de ramen te sluiten, ook het kleine dakraam op de zolder, waardoor de bliksem voor mijn gevoel het gemakkelijkst kon inslaan. De bliksem werd er, stelde ik mij voor, door aangelokt, nieuwsgierig als hij nu eenmaal is naar het duistere en verholen bedrijf van de mensen, dat hij het liefst zou willen afstraffen. De gedachte alleen al dat ik, bij een naderend onweer, op zolder op mijn tenen zou gaan staan om het dakraampje van de haak te lichten, deed mij huiveren. Mijn moeder verrichtte een dergelijk waagstuk ongedwongen en welgemoed.

Mijn moeder was dus dapper, of moedig. Zij loog ook nooit. Als kind was ik er al van overtuigd dat die twee eigenschappen met elkaar verband hielden, want ik loog wel degelijk (moest wel liegen, hield ik mijzelf voor) en bleek tot mijn ontsteltenis en beschaming lang niet altijd moedig. Mijn vader heb ik weliswaar nooit op leugens betrapt, maar ik achtte hem ertoe in staat. Ik vermoedde dat hij niet loog omdat het voor hem niet nodig was. Hij deed geen verboden dingen en werd niet voor gewetensvragen gesteld. Hij deelde het Calvinisme met zijn naaste omgeving. Het geloof regelde de omgangsvormen en mijn vader hield zich er aan, terwijl ik er juist tegen in verzet was, op een veelal machteloze wijze, waardoor mijn prilheid voor een belangrijk deel werd vergald.

Het onweer maakte, in mijn jeugd, deel uit van de Calvinistische eredienst, een voortzetting van de preek met elementaire middelen. 'De Here spreekt', heette het, wanneer de ene ratelende donderslag na de andere zich boven onze schuldige hoofden ontrolde. De bliksem, wanneer ik als kind niet durfde kijken uit angst met blindheid te worden geslagen, was de aankondiging van het hemelvuur waardoor ooit de wereld zou vergaan. Elk onweer hield de dreiging in van dat einde, wanneer de doden uit hun graven zouden verrijzen en Christus, op die dag des oordeels, de mensheid zou richten. Het natuurverschijnsel, op zichzelf al geruchtmakend, kreeg er een betekenis door die met ontzag en inkeer gepaard ging en van de nietige mens een houding van eerbied en wijding verlangde. Devoot zaten wij aan tafel, alsof er gebeden werd met reusachtige lippen en uit een groot brandend hart. Mijn vader had zijn leunstoel met de rug naar het raam toegekeerd. Mijn moeder liep aanvankelijk nog tussen de kamer en de keuken heen en weer, met stille bewegingen en zozeer zichzelf dat van haar verschijning een bezwerende vreedzaamheid uitging. Ik wierp nu en dan een steelse blik naar buiten, om mij niet alles van het hemelse spektakelstuk te laten ontgaan. Er liep nog iemand buiten, vlak langs de huizen, haastig en met het hoofd gebogen. Stof dwarrelde omhoog. Het werd heel donker. De lamp werd aangestoken. Van een vriendje wist ik dat bij hen thuis een volstrekt spreekverbod van kracht werd. Zijn moeder haalde het ijzeren kistje met het geld en de familiepapieren uit de linnenkast en zette het voor zich op de tafel.

In mijn herinnering ben ik de onweersbuien uit mijn jeugd gaan waarderen, en bewonderen, als het meer dan schitterende schouwspel waarvoor ik ze nu, verlost van de vaderlijke angst, houd. Met bliksem en donder vier ik de bevrijding uit verveling, neerslachtigheid, gedwarsboomde eerzucht en al te kinderlijke wrok die in de benauwende broedplaats van het gezin een zo verlammende stagnatie kunnen veroorzaken. Wij waren verdoemd, maar wij konden behouden worden. Het afdrijven van de bui, met nog goedige donderslagen in de verte, het oplichten van de ruimte, zodat de lamp werd uitgedaan, het opstaan en zich rekken, de eerste woorden, als nieuw alles bevestigde het. Hemel en aarde hervatten hun dagelijkse werk.

    • Adriaan Morrien