Lech Walesa de onnavolgbare

Op het hoofdkwartier van Solidariteit in Gdansk heerste, zoals altijd, een opgewonden drukte van heftig gesticulerende vakbondsleden en veel, zeer veel Westerse journalisten. Allemaal waren ze gekomen voor een ding: een onderhoud met de voorzitter van de eerste onafhankelijke vakbond in Oost-Europa, Lech Walesa.

Iedereen kreeg een half uur, twee aan twee, om vragen te stellen. Het lot had mij gekoppeld aan een verslaggever van een Italiaans familieblad. Eenmaal binnen beantwoordde Walesa geduldig alle vragen over zijn kinderrijke gezin en de lopende vakbondszaken. Wat het meest opviel in de spaarzaam ingerichte werkruimte was het immense fris geboende bureau, waarachter de vakbondsleider een wat verloren indruk maakte. Vooral omdat er niets op het bureau lag, behalve een plastic mapje met een vel papier dat hij telkens voor de vorm oppakte, uitvoerig bestudeerde en weer teruglegde. Een geoefend bureaucraat zou Walesa niet snel worden, zoveel was wel duidelijk.

Toen, in het najaar van 1980, verkeerde hij op het hoogtepunt van zijn roem. Hij had genoeg geschiedenis gemaakt om legendarisch te zijn, en te weinig om veel tegenstand op te roepen. Nu, tien jaar later, lijkt Walesa het slachtoffer te worden van zijn eigen succes. Het communisme is gevallen en er zetelt een regering onder leiding van een premier van Solidariteit. Maar voor de instigator van deze adembenemende omwenteling is geen rol meer weggelegd. Zijn frustratie over zijn plaats aan de zijlijn zou zo groot zijn geworden, dat hij alle verworvenheden op het spel zet om president van Polen te worden.

Althans zo luidt het oordeel van zijn critici, dat al snel tot gemeengoed is geworden. Maar Walesa is een te onvoorspelbare en complexe persoonlijkheid om in zo'n simpel beeld te kunnen worden gevangen. Om te beginnen is er eigenlijk altijd te vroeg over Walesa's onnavolgbare initiatieven geoordeeld. Zo vonden bijvoorbeeld velen in het voorjaar van '89 zijn verbond met de twee gediscrediteerde satellietpartijen te ver gaan. Toch heeft deze totaal onverwachte wending gezorgd voor de historische doorbraak die de vorming van de eerste niet-communistische regering in Oost-Europa mogelijk maakte. En de mokkende parlementariers van Solidariteit moesten achteraf toegeven dat zonder het eigenzinnige initiatief van hun voorman de impasse nog lang had voortgeduurd.

Sinds het voorjaar is Walesa druk doende het compromis van vorig jaar op te blazen. Natuurlijk spelen zijn presidentiele verlangens daarbij een voorname rol. Maar het valt moeilijk in te zien waarom het vergelijk met de communisten kunstmatig zou moeten worden voortgezet. Vorig jaar was het een voorlijk waagstuk, waarvan niemand kon bevroeden dat het niet veel later achterhaald zou zijn. President Jaruzelski voor zes jaar benoemd als waakhond. Maar namens wie ook al weer? Een parlement voor tweederde gevuld met niet-gekozen communistische 'volksvertegenwoordigers' als veiligheidsklep. Maar om wat ook al weer tegen te houden? Voordat Lech Walesa als een versleten jas wordt weggehangen kan misschien ook nog de vraag worden gesteld naar de waarde van zijn diagnose van het postcommunistische Polen.

Daarin staan het ongeduld en de apathie van de bevolking centraal. Ergens tussen de gevaren van een sociale explosie en een morele implosie situeert hij de wankele weg naar welvaart en democratie in Polen. Als we niet snel handelen dan leggen we het af tegen een geschiedenis van tweehonderd jaar bijna onafgebroken vreemde overheersing waarin natie en staat tegenover elkaar stonden, lijkt Walesa te zeggen. Geen onzinnige vaststelling natuurlijk voor iemand die een decennium lang het ongeduld intuitief een stap is voorgebleven. Over die problematische vereenzelviging met de staat kan geen twijfel bestaan. Kazimierz Brandys gebruikt in zijn Warschaus Dagboek een prachtig beeld, ontworpen om de gangbare projectie van al het kwaad op de buitenwereld te illusteren: 'Op een gegeven moment ontdekken we dat het gesneeuwd heeft. En dan vragen we onszelf af: is dit onze sneeuw? En zijn we gedwongen het op te ruimen? Want het is niet uitgesloten dat we te maken hebben met hun sneeuw, die ons is opgedrongen in het kader van de vriendschap tussen de volkeren. Zouden ze die sneeuw dan niet zelf moeten opruimen?'

Versterkt Walesa dat sentiment of begijpt hij beter dan anderen de diepgang ervan? Zijn 'gaullistische' conclusie is, dat de regering slechts door een directe relatie tussen volk en een gekozen president het ongeduld voor kan blijven. Niet alleen in zijn voorliefde om over zichzelf in de derde persoon te spreken doet Walesa aan De Gaulle denken. Ook hun bewondering voor Pilsudski de sterke man van Polen gedurende het interbellum verbindt hen. Beiden rechtvaardigen het centralisme met een beroep op de nationale identiteit en een weerzin tegen ruzieende parlementsfracties. Dat laatste strookt overigens nauwelijks met het effect van zijn campagne voor het presidentschap, namelijk het uiteenvallen van Solidariteit in rivaliserende fracties. Tot zover valt met enige goede wil de presidentscampagne van Walesa wel te begrijpen en zou men hem zelfs het voordeel van de twijfel kunnen gunnen. Maar de gevaren van zijn roep om volmachten en versnelling van de hervormingen liggen voor de hand. Het zou niet de eerste keer zijn dat uit naam van een uitzonderingstoestand democratische rechten worden afgenomen om daarna nooit meer te worden teruggegeven. En rechtvaardigt het beheerste optreden van de regering-Mazowiecki eigenlijk de haast waar om Walesa vraagt?

Vooralsnog geniet de regering een behoorlijk vertrouwen, ook al is de opkomst bij verkiezingen laag. Maakt Walesa zich met zijn 'oorlogs-verklaring' tegen deze regering niet schuldig aan een soort Verelendungsstrategie? Het is op dit moment niet zozeer een vergelijking met de soevereine De Gaulle die zich opdringt, maar meer met De Poujade, de organisator van het sociale ressentiment van de kleine man en de bespeler van een treurig antisemitisme in het Frankrijk van de jaren vijftig. Uiteindelijk weet niemand precies wat Walesa voor ogen staat en vooral dat boezemt velen angst in. De overgang van het tijdperk van de morele antipolitiek naar de verantwoordelijkheid voor het landsbestuur is precair. De ronde taal en het charisma van het verzet zijn al snel desastreus in een democratische omgeving. Adam Michnik schetst een strijd tussen twee culturen: een democratisch-humanistische op Europa gerichte versus een autoritair-religieuze op het nationalisme geente. Tot nog toe hebben beide tradities elkaar in evenwicht gehouden in het verzet tegen het communisme. Zal Walesa als president het evenwicht verbreken? Natuurlijk zegt de manier waarop de macht wordt veroverd veel over de manier waarop zij zal worden uitgeoefend. Maar is het niet aannemelijk dat hij, gedwongen door zijn nieuwe verantwoordelijkheid, een neutrale en verzoenende rol zal spelen en in ieder geval minder gemakkelijk een goedkoop populisme kan botvieren, dan als voorzitter van een marginaler wordende vakbond? Dat lijkt de overweging te zijn van de katholieke liberaal Mazowiecki, die blijft hopen op samenwerking en vooralsnog weigert zich op te werpen als tegenkandidaat.

Mocht Lech Walesa, de onnavolgbare, over twee maanden de presidentiele residentie binnentrekken en die kans is levensgroot dan kan ik me in ieder geval zijn werkkamer met het glanzende lege bureau en het plastic mapje nu al levendig voorstellen. De saaiheid van een ontwikkelde democratie zal voor Polen voorlopig nog niet zijn weggelegd.

    • Paul Scheffer