Kinderlijke visies op dans bij workshop Nationale Ballet

Even dacht ik dat aan het bestaan van de choreografie-workshop van Het Nationale Ballet een eind was gekomen. Het laatste seizoen immers werd zonder dit jaarlijkse evenement afgesloten. Maar gelukkig blijkt het alleen maar om een verplaatsing in de tijd te zijn gegaan, want in het net begonnen nieuwe dansjaar konden zes leden van het gezelschap hun choreografische werkstukken in de openbaarheid brengen gedurende drie voorstellingen. Niet zoals gewoonlijk in Amsterdam, de standplaats van de groep, maar in de stadsschouwburg in Utrecht. Een ongewone en niet zo geslaagde keuze. Pril werk is immers niet echt gebaat bij een presentatie in een pretentieus, grootschalig theater.

Van de zes deelnemers was er een voor wie deze workshop een choreografisch debuut betekende. Alfredo Fernandez, professioneel danser sinds 1979 en sinds 1987 bij Het Nationale Ballet werkzaam. Zijn Catch Cash begint bij de naakte Adam en Eva en laat zien dat de perikelen in de verbintenissen tussen man en vrouw gedurende de daaropvolgende eeuwen niet echt veranderd zijn. Van een echt choreografisch concept is nauwelijks sprake. Los aan elkaar geregen fragmentjes, oninteressant en summier van beweging en getuigend van een kinderlijke visie op de danskunst. Dat laatste geldt ook voor de twee bijdragen van Jeanette Vondersaar. Het duet Synthese wil het klassieke ballet en de Javaanse dans samenbrengen en met haar solo Po Mo d'Or wil zij de verworven vrijheden in de klassieke dans benadrukken. Ik twijfel zeer aan Vondersaars choreografische roeping. Haar werk suggereert veeleer elke kans te willen aangrijpen om te kunnen dansen en dat te doen op de haar vertrouwde no-nonsense manier van bewegen.

Vergeleken bij zijn eerste choreografie, een jaar geleden, is er bij de nog jonge Leo van Emden een groei te bespeuren. Waar hij zich toen nogal verloor in een vage dramatiek toonde hij nu in Kersh duidelijk meer greep op de materie te hebben, hoewel zijn aanpak toch nog te ambitieus blijkt voor zijn inventiviteit. Opnieuw presenteerde Till Schmidt-Rimpler een ballet waarvoor hij ook zelf de muziek componeerde. Ein wahrhaft positives Furchtstuck (zijn derde choreografie) heeft als thema angst, en hoe dat gevoel een mensenleven kan beinvloeden. Het werk zit lang niet slecht in elkaar en de manier waarop hij drie vrouwen dezelfde bewegingen laat uitvoeren doch met een geheel andere emotionele lading en dus andere vorm, is boeiend evenals zijn hantering van de groep tegenover een individu. Toch maakt het totaal meer een gedegen dan eenbevlogen indruk.

Cantus van Krzysztof Pastor is de uitwerking van een choreografie van dezelfde naam die hij voor de vorige workshop maakte: een ballet over afscheid van het leven (moeten) nemen en het verdriet, de berusting, de strijd en de bevrijding die daarmee gepaard gaan. Een mooie, vrij goed uitgebalanceerde choreografie met goed doorlopende, krachtige en ongeforceerde bewegingen zonder al te grote pathos, maar ook zonder echte verrassingen.

Het meest interessante werk was Johan Grebens uitwerking van zijn eersteling Straks, waaraan hij nu twee delen toevoegde. Fris, spiritueel, doordacht van opbouw, inventief in beweging is Straks een ballet geworden dat een plaats in het repertoire van een dansgezelschap verdient. De workshop 1990 bood als totaal eigenlijk nauwelijks iets verrassends en liet daardoor, ondanks de goede individuele dansprestatie, toch een teleurstellende indruk achter.

Choreografie workshop 1990 van Het Nationale Ballet met nieuwe werken van Leo van Emden, Alfredo Fernandez, Johan Greben, Krzysztof Pastor, Till Schmidt-Rimpler en Jeanette Vondersaar. Gezien: 22/9, Stadsschouwburg Utrecht.