Erkenning voor een vlijtige vraagbaak

In 1832 werd de Groninger hoogleraar en schoolopziener Theodorus van Swinderen drie dagen lang uitbundig gehuldigd door tientallen onderwijzers. Op 12 juni verzamelden de feestgangers zich in de met witte draperieen versierde Pepergasthuiskerk. Van Swinderen hield zijn rede op de preekstoel, omringd door 'fraaije zinnebeeldige bloemen' uit de Hortus en pal naast zijn eigen borstbeeld. Na afloop kreeg hij een gedenkpenning met zijn eigen beeltenis.

Van Swinderen genoot van die aandacht; de loftuitingen liet hij zich graag aanleunen. Toen hij in 1851 overleed in zijn woning aan het Martinikerkhof liep de hele stad uit. 'Het was of er een koning ter aarde werd besteld', schreef zijn vriend, de theoloog Petrus Hofstede de Groot. 'Er was ook een Koning gestorven in het rijk van deugd, mensenliefde en godsvrucht.' Theodorus van Swinderen, over wie het Universiteitsmuseum vorige week de tentoonstelling Verzamelen, vereren en verlichten opende met de plechtige onthulling van een 200 kilogram wegend massief gietijzeren borstbeeld van de hoogleraar, dat jarenlang in de kelder van de Hervormde Gemeente lag, was waarschijnlijk een van de meest bewierookte hoogleraren en een van de markantste figuren in het Groningen van de vorige eeuw. Vlak na zijn dood werden er boeken aan hem opgedragen en lofliederen over hem geschreven. Een van zijn favoriete leerlingen, H. Kuhl, ontdekte tijdens een reis naar West-Indie een onbekende papegaaiesoort die hij de naam naam Psittavus Swinderianus gaf. In 1821 werd een rat vernoemd naar de geliefde Groninger hoogleraar en schoolopziener: de Aulacodus Swinderianus. Het zijn opmerkelijke eerbewijzen aan een man die op vrijwel elk terrein van de 19de eeuwse maatschappij actief was. Hij was hoogleraar natuurlijke historie, onderwijsinspecteur en ouderling. Hij richtte tal van genootschappen op, zoals het Koninklijk Genootschap en het Natuur- en Scheikundig Genootschap, die beide nog bestaan. De diepgelovige Van Swinderen durfde Kant pas te lezen toen hij wist dat diens filosofie niet strijdig was met het christelijk geloof. Van Swinderen is een typische exponent van de 'christelijke verlichting'. Hij was sociaal, verdraagzaam, godsvruchtig en bezat een sterke drang om altijd 'nuttig' bezig te zijn. Doel was om het volk op te voeden tot nuttige burgers.

Versnippering

Van Swinderen werd geboren in 1784 in Groningen, in een deftige stedelijke familie. Op school was hij de ideale leerling, uiterst ambitieus met een brede interesse. Zijn bijnaam was 'Dorus het Wonderkind'. Na lang aarzelen besloot hij uiteindelijk natuur- en scheikunde en rechten te gaan studeren. De jonge veelbelovende jurist leek een glanzende wetenschappelijke carriere tegemoet te gaan. Een groot geleerde zou hij echter nooit worden; hij bleef verstoken van wetenschappelijke faam. Hij was geinteresseerd in alles om zich heen en die versnippering leidde tot oppervlakkigheid, maar ook tot een fabelachtige werklust. Er is bijna niets in het Groningen van de vorige eeuw waar hij niet op de een of andere manier bij betrokken was. Van Swinderen was een allesweter en daardoor een vraagbaak van vreemdelingen en academici. Wilde iemand iets weten over de stad, dan werd hij automatisch doorverwezen naar de hoogleraar. In zijn vrije tijd gaf hij onderwijzers op het platteland bijles. Als hoogleraar vond hij dat de universiteit een taak had in het voorlichten van het publiek. Dit wilde hij onder andere bewerkstelligen door het aanleggen van een grote verzameling opgezette dieren, insecten en fossielen uit binnen- en buitenland. Van Swinderen vroeg een kermis-exploitant in Leeuwarden om een gestorven giraffe voor zijn collectie. Hij schakelde boeren en landlieden in die met graagte eenden, futen en veldvogels schoten voor het Museum van Natuurlijke Historie. De verzameling moest het volk ter lering worden voorgehouden, niet in de laatste plaats om de grootheid van de Schepper te tonen.

De Groninger hoogleraar was een hartstochtelijk bewonderaar van historische figuren. Om hen te kunnen eren en herdenken richtte hij een aanzienlijk aantal grafstenen, obelisken, urnen en zuilen op begraafplaatsen en in de kerken op. Deze heldenverering was een andere uiting van zijn drang tot volksopvoeding. Van Swinderen beschouwde de gedenktekens als een 'Vaderlandsch woordenboek van grote mannen' die dienden tot voorbeeld en aansporing van zijn medeburgers. Artistieke waarde hoefden de monumenten niet te hebben. Zo aarzelde hij niet om de Groninger steenhouwer Willem Geerts opdracht te geven tot het maken van een kopie van de witmarmeren gedenksteen die de befaamde beeldhouwer Paul Joseph Gabriel voor de waterstaatkundige Christiaan Brunings had gemaakt. Van Swinderen wilde hiermee in 1823 zijn overleden collega-schoolopziener Hendrik Wester eren. Na de plechtige onthulling van het gedenkteken in de Martinikerk ontstond spontaan het idee voor een herdenkingszuil op te richten voor graaf Adolf van Nassau, die in 1568 bij Heiligerlee was gesneuveld. Het moest een Groninger huldeblijk worden voor een nationale held, vandaar dat er alleen geld (850 gulden) in Groningen werd ingezameld. Samen met een groep studenten van de sectie geschiedenis 'Ubbo Emmius' van de NHL in Groningen richtte docent IJ. Botke de tentoonstelling in het Universiteitsmuseum in. Er is een videoband gemaakt van de herdenkingstekens die Van Swinderen oprichtte. Het borstbeeld van Van Swinderen krijgt een vaste plaats op de binnenplaats van het museum en de Universiteitsbibliotheek. Het werd tien jaar na zijn dood in de tuin van het Groene Weeshuis onthuld, het monument van ijzer en steen belandde in de kelder van de Bureau van de Hervormde Gemeente. Zo krijgt de in de vergetelheid geraakte Van Swinderen een vaste ereplaats bij de universiteit waar hij ooit studeerde en doceerde. Zelf zou hij ervan genoten hebben. Want ijdel was hij wel.