Becaria: kleine fysiek met een reusachtig ego

Fameus, zoals de traditie is, was zaterdagmiddag weer de opening van het concertante operaseizoen van de Vara-matinee in het Amsterdamse Concertgebouw, met La Gioconda van Ponchielli. Het was van twee tot zes uur een lange middag vol ouderwets vlammende zindering, een hartstochtelijk en meeslepend eerbetoon aan de leermeester van Puccini en Mascagni, wiens 51 jaar durende leven aan beide zijden ruim binnen dat van Verdi bleef. Maar met La Gioconda (1876) kondigde hij het 'verisme' aan en bleef hij bekend. En al is bij mijn weten de opera hier lange tijd niet uitgevoerd, zeer bekend zijn toch de aria Suicidio! en de Urendans, waarin Ponchielli een amicaal schouderklopje geeft aan Offenbach, Tsjaikovski en Johann Strauss jr.

Net zoals in juni bij de laatste Vara-opera, Strauss' Die Frau ohne Schatten, was de vocale bezetting over de hele linie van grote klasse, veelal afkomstig uit de grote en dure operahuizen: alweer een bewijs voor het succesvolle artistieke beleid van Jan Zekveld. En misschien zal de opname, die vanavond via de radio is te horen, later ook wel weer een 'historische' worden, en kunnen de aanwezigen zich tezijnertijd erop beroemen al in zijn jonge dagen een optreden te hebben gehoord van Bruno Becaria.

Het Italiaanse tenortje, in de rol van Grimaldi, lijkt immers veel in zich te hebben om uit te groeien tot een 'wereldberoemde tenor'. Al is Becaria (nog) geen koning van de hoge C's of de pianissimi en imponeert hij vooral met zijn volle en krachtig purperrood getimbreerde stemgeluid, in de kleine fysiek van Becaria schuilt een ego dat nog groter lijkt dan dat van Luciano Pavarotti.

In zijn klassieke Italiaanse pose telkens opnieuw borst vooruit, brede armgebaren en de blik gericht op het schellinkje straalt Bruno Becaria enorme overtuigingskracht uit. Zijn optreden is uitsluitend bedoeld om het publiek in verrukking te brengen en dat lukt ook met groot gemak: zelfs zijn collegae bewezen Becaria uitvoerig hulde na zijn gloedvolle Cielo e mar.

Ook de vijf andere zangers beschikten over ruime stemmiddelen: de sopraan Maria Slatinariu (in de titelrol, met een mij iets te ingehouden Suicidio!) en de mezzo Diane Curry (Laura) zongen fraaie duetten, de bas Oddbj(o/)rn Tennfjord (Alviso) en de bariton Fredrick Burchinal (Barnaba) voldeden eveneens, al hadden zij soms een wat brave opvatting over hun malafide rollen. Opmerkelijk puur en intens zong de alt Jadwiga Rappe, die eerder op dit podium bij Harnoncourt in de Matthaus Passion stond. Henry Lewis liet zijn Radio Symfonie Orkest voortreffelijk spelen en toonde een vaste greep op de dramatische opbouw van scenes, actes en de opera als geheel.

    • Kasper Jansen
    • Amsterdam. Radio-Uitz
    • Groot Omroepkoor
    • Jongenskoor Stbavo O.L.V. Henry Lewis. Gehoord