'Amsterdam als geheel moet spectaculair zijn'

AMSTERDAM, 24 sept. 'Holland op zijn Hoogst' heette de studiedag die zaterdag in het Scheepvaarmuseum in Amsterdam werd gehouden door de Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond, een van de bewakers van ons cultureel erfgoed. Het ging over het bouwen vlakbij of in historische binnensteden, over stadsvernieuwing of stadsvernietiging, over schaalvergroting en over de vraag of hoogbouw een gewenste of misschien noodzakelijke ontwikkeling is of niet.

Uiteraard kwam daarbij een paar maal de door de gemeente Amsterdam voorziene ontwikkeling van de IJ-oevers ter sprake, de plannen volgens welke Amsterdam achter en naast het Centraal Station een 'toplocatie' moet worden voor kantoren, huizen, hotels en winkels in een afwisseling van hoog- en laagbouw.'Over het water' heette de miniconferentie over Amsterdam en het IJ die theater De Balie aan het Leidseplein zaterdagmiddag had georganiseerd. Met als kernvraag: hoe verhoudt de veronderstelde noodzaak tot vernieuwing en versterking van de stad zich tot wat de bewoners als specifiek Amsterdams ervaren (en willen bewaren). Volgens organisator F. Rottenberg van De Balie gaat het om het behoud van de menselijke maat, om de onlosmakelijke band met het verleden.

Rottenberg vroeg zich af wat mensen aan het IJ te zoeken hebben. Natuurlijk, het is een knooppunt van openbaar vervoer en het Centraal Station dat ons van het water scheidt is zowel een ramp als een zegen, maar waarom kunnen die IJ-oevers geen braakliggend terrein blijven, zoals al jaren het geval is? Betrokkenheid dus van verschillende kanten en op verschillende manieren uitgewerkt bij de ontwikkeling van de hoofdstad en vooral angst dat wat er ook aan de IJ-oevers zal worden gebouwd (laag of hoog) niet mooi, geen architectuur van allure zal zijn. Want kijk maar wat er nu al neergezet mocht worden: twee spiegelgladde gebouwen (van de Kamer van Koophandel en een verzekeringsmaatschappij) waarvan voor- en tegenstanders van de IJ-oeverontwikkeling zeggen: lelijk. Met een gemeentebestuur dat zo slecht uitkijkt en een welstandscommissie die zoiets goed vindt, is achterdocht op zijn plaats. Geluiden die zowel in het museum als aan het plein werden gehoord.

Maar misschien loopt het allemaal zo'n vaart niet. In De Balie bleek althans tijdens een discussie tussen J. van Rijs, projectontwikkelaar, J. Saris, wethouder ruimtelijke ordening en M. Kloos, directeur van de Stichting Architectuur Amsterdam, dat de plannen na jaren praten nog steeds alleen op papier en in de vorm van een maquette bestaan. Van Rijs, werkzaam bij de maatschappij die op het Bijlmerplein het spectaculaire hoofdgebouw van de Nederlandse Middenstandsbank heeft neergezet, uitte grote zorgen: 'Ik weet niet wat ik aan het IJ zou moeten bouwen. Vanuit de architectuur is er nauwelijks een referentie die we kunnen doortrekken, er is geen beeld ontwikkeld. En, daaraan voorafgaand, er is nog geen strategie van wat er zou moeten komen en ook geen uitzicht daarop'.

Rottenberg: 'Dat is een niet geringe noodkreet, hoe reageert de gemeente daarop?' Maar de wethouder had er niet echt van terug. Inderdaad, er was niet intensief samengewerkt tussen de publieke en private partijen sinds de 'Nota van uitgangspunten ontwikkeling IJ-oevers' de gemeenteraad begin dit jaar had gepasseerd. En inderdaad, de marktpartijen hadden afgezien van het tekenen van een intentieverklaring. En ziet u: er is na de gemeenteraadsverkiezingen een programakkoord gekomen. En dus moeten we goed kijken hoe we verder gaan, geen haast maken. We moeten niets. We moeten weten wat we eigenlijk willen en vooral: we moeten niets verplaatsen uit de stad, maar er iets aan toevoegen, was de strekking van Saris' woorden.

Rottenberg: 'Er zijn dus nog mogelijkheden om wat slecht gaat goed te krijgen'.

Kloos adviseerde twee maanden de tijd te nemen om met een groep mensen de essentie te halen uit alles wat over de IJ-oevers tot nu toe te berde is gebracht en daaruit een strategie te distilleren. Waarop de discussiepartners en de zaal mochten zeggen wat ze nu het liefst op de IJ-oevers zouden zien: een grote, alles overkoepelende bibliotheek, het Nationale Vormgevingsinstituut, het nieuwe hoofdkantoor van AMRO/ABN, de Optiebeurs die op het Rokin uit haar jasje barst, het Financiele Centrum of een milieu-instituut.

Vanuit de zaal in De Balie klonk een ongerust geluid dat het grootkapitaal, de beleggers en projectontwikkelaars met de IJ-oevers aan de haal zullen gaan. Uit het Scheepvaartmuseum kwam het antwoord. Projectontwikkelaar A. Kuijvenhoven: 'De markt wil de beste plek vinden. Maar hoogbouwen is geen marktconform gedrag. Bovendien is het moeilijk: houdt u de Toren van Babel maar in het achterhoofd'. En R. A. F. Smook, eveneens projectontwikkelaar: 'De stad als geheel moet spectaculair zijn en niet de afzonderlijke gebouwen'. Kloos, in De Balie, was niet pessimistisch over de architectonische mogelijkheden. Maar architectuurcriticus Max van Rooij noemde in het Scheepvaartmuseum veel hedendaagse commerciele architectuur in en om historische binnensteden een vorm van puur vandalisme: 'Holland op zijn Platst'.

    • Ite Rümke