Abraham Puls

'In het Bijzonder Gerechtshof te Amsterdam is vandaag', schreef het dagblad Trouw op 2 juni 1947, 'de oorsprong van een der meest onsympathieke woorden, die tijdens den oorlog zijn ontstaan, ontrafeld. Wie kende in den tijd der Jodenvervolgingen het woord 'pulsen' niet? De kinderen riepen het elkaar op straat toe; werd ergens iets gestolen, dan was het 'gepulst'.' Abraham Puls werd op 1 september 1902 geboren in Amsterdam. Van 'volksjongen' wist hij op te klimmen tot eigenaar van een verhuis- en transportonderneming met veertien vrachtauto's en zestig man personeel. Puls was een onaangenaam mens. 'Energie, ruwheid, hard egoisme, brutaliteit - ziedaar Abraham Puls', schreef een krant later. 'Deze volbloed Arier', zoals Presser hem in Ondergang noemt, werd in 1935 lid van de NSB en stuurde zijn drie kinderen naar de Jeugdstorm.

Tijdens de oorlog werkte Puls voor de Duitsers. Zijn transportonderneming werd gebruikt om de huizen van gedeporteerde joden leeg te halen. Zeker 5.400 woningen in Amsterdam-Oost en elfhonderd in 't Gooi werden door zijn bedrijf leeggeroofd. Naast 'stelen' kreeg pulsen dan ook de betekenis 'huizen leeghalen'. Hoewel de meeste boedels op binnenschepen naar Duitsland werden afgevoerd, bleef er voor Puls genoeg aan de strijkstok hangen. Toen hij op 7 mei 1945 werd gearresteerd, werd er volgens het arrestatierapport 'een vrachtauto vol met diverse huishoudelijke artikelen en geldswaarden medegenomen'.

Alleen de geldkist in zijn huis bevatte al 19.089,45 gulden en 3.289,00 Reichsmark. Nadere bestudering van zijn bankrekeningen leerde dat zijn vermogen van fl.35.000 in 1942 was toegenomen tot ruim drie ton in 1945. In de rechtzaal misdroeg Puls zich. 'Puls, de verhuizer, voor het Hof, brutaal en arrogant', luidde de kop in Trouw op de eerste dag van het proces. 'Reeds dadelijk bij den aanvang van de zitting geraakte Puls, die zeer obstinaat was en herhaaldelijk door den president moest worden terechtgewezen, in vuur en vlam over zijn al dan niet lid zijn van de NSB gedurende den oorlog.'

Een nutteloze actie, want toen Puls werd gearresteerd, droeg hij een bewijs op zak dat hij al tien jaar lid was van deze organisatie.

Op 4 juni 1947 hoorde Puls de doodstraf tegen zich eisen. Dit had niet alleen te maken met zijn bedenkelijke verhuispraktijken. Samen met motoragent J. M. W. Meyer was Puls er namelijk toe overgegaan om zelf joden aan te houden en over te dragen aan de Sicherheitspolizei.

Tijdens het proces schreef een krant in dit verband: 'Puls en Meyer twee jagers op grof wild. Zij reden door de stad op een motor met zijspan en hadden dikke leren jassen aan. Hyena's!' Toch bracht Puls het er relatief goed van af. In februari 1949 werd de doodstraf omgezet in levenslange gevangenisstraf. Na een brief aan de koningin werd deze staf op 25 mei 1959 omgezet in vierentwintig jaar. Iemand bij de Hoge Raad was het hier hardgrondig mee oneens. 'Ik zie geen reden', luidt de anonieme notitie in het dossier van Puls, 'een man als Puls, die zich zo zeer en op zo weerzinwekkende wijze vergrepen heeft aan zijn Joodsche Volksgenoten, na ontvangen gratie nu reeds op jaren te stellen.'