'Wij zijn trots op ons verleden, wij hebben onze zwarte macht

Door slapende dorpen. Alles herhaalt zich. De namen van de straten, de honden suffend in de goot, de krassende waterpomp in de tuinen, de Toyota bakkies, de bomen tot hun middel gewit, de geur van braaivleis in de namiddag. Dezelfde namen op de graven. Overal een Pick and Pay, dezelfde nieuwe hekken om de politiebureaus. De angst en de opstand broeien overal.

De breedste weg heet altijd Voortrekkerspad, een herinnering aan de dagen van de grote Ossewa-trek in augustus 1938. Een gezelschap politieke voormannen trok toen met de huifkar van het Van Riebeeckstandbeeld in Kaapstad naar het Voortrekkersmonument in Pretoria om het eeuwfeest van de Slag bij Bloedrivier te vieren. Een koorts van enthousiasme rilde door Zuid-Afrika. De tocht moest de toen ook al verdeelde Afrikaner harten samenbinden. Mannen lieten hun baard staan en droegen oudtijdse zwarte corduroyjasjes met een geruite zakdoek om hun nek, de vrouwen droegen schorten en kappies. Duizenden sloten zich onderweg bij de trekkers aan. Voor vele oude Afrikaners behoort de herinnering aan die dagen tot het hoogtepunt in hun leven. Een oude vrouw die op een riempiestoel voor haar huis zit weet het zich nog goed te herinneren. Een man op een schimmel opende de stoet. Hij was verkleed als Paul Kruger. Hij tilde haar op en zette haar op de punt van het zadel. Met haar handjes in de witte manen reed ze als een prinses door de straten, toegejuicht door haar dorp. ' Het was, ' zegt ze, ' alsof ik door de geschiedenis werd opgetild.' De dorpen slapen licht. Als we ergens stilhouden en twee keer het trottoir op en neer lopen, bewegen de gordijnen, kraakt ergens binnen een stoel, piept een luik. We voelen de ogen. Altijd schuifelt wel een oude vrouw of man het tuinpad af om te vragen waar we vandaan komen, waar de tocht heen gaat. Het sociale verkeer onder de dorpse Afrikaners is familiaar, nauwelijks rangen en standen meer, ook in de grotere steden vond ik een dorpsheid die het sociale weefsel bindt.

Blijf drie dagen op dezelfde plek en je weet alles van elkaar. Je weet dat de dominee een bijvrouw heeft, dat de onderwijzer na drie bier homoseksueel wordt, en welke boer zijn schapen slecht behandelt. Het goede en het kwade wordt tot geslachten terug verklapt.

De dorpskranten maken me verlegen. Wil ik weten wie er ziek is, dood, getrouwd, verlaten? Welk kind gescheiden of geslaagd, bij wie een blindedarm moest worden weggehaald en welke keuken er is uitgebrand? Het is een roddelsamenleving.

Na elke ' ja-dankie-tannie-koffie-sal-lekker-wees' willen ze weten wie Eva's vader was en telkens blijkt de wereld klein.' Nou se vir my is jy 'n Landman van Swaelvlei, en was jou pa se ma 'n Van der Merwe van Uppington?' ' Maar dan ken ek mos jou ma se tante op Rooifontein.' ' Ja, sy was 'n La Grange van Cradock.' ' Human is sy getrou.' ' Ja nou verstaan ek dit.' Familie-uitle heet dat hier.

Nu de batterijen van mijn Afrikaans zijn opgeladen, word ik meer beschouwd als een van hen. Of ik wil of niet, ze maken mij hun deelgenoot. Hoezeer ze het vreemde ook schuwen, ze hunkeren naar begrip en erkenning van buiten hun kring. Ze willen weten waarom de wereld hen afwijst, ze willen mij uitleggen wat hen beweegt.

Aan de koffie, op het eigen erf, onder eigen mensen is het een gemoedelijk volk. Hun gemoedelijkheid gaat zover dat zij zelfs hun geschiedenis eenvoudig en overzichtelijk maken. Voor de Afrikaner was hier niets. Zoals God na wat astronomisch en geografisch getover een man op aarde zet, zo zet de Afrikaner Van Riebeeck aan wal en daarmee begint de geschiedenis van Zuid-Afrika. Voor hun komst was hier leegte, duisternis, bergen, water, wilde dieren. Zij hebben hier geschiedenis geschreven, niet de volken zonder schrift. Die andere bewoners lijkt niemand echt te willen leren kennen. Misschien is het land wel te groot om er elkaar in lief te hebben. Alsof die weidsheid ieder naar zijn eigen erven heeft weggedrukt.

De Afrikaners schikten zich in dit landschap. Elke hoogbouw ontbreekt, zelfs de steden behielden iets dorperigs. Ze hebben het niet vorm gegeven, het landschap vormde hen.

Als ik 'snachts in bed - een woest draaiende Eva naast me, omdat ze deze reis zoveel dingen hoort en ziet die ze liever was vergeten - wakker aan Zuid-Afrika denk, is het niet aan de politiek waar de mensen de godsganse dag over praten, maar aan de leegte, aan die platte leegte. Zelfs de bergen zijn hier plat. Ongebruikte landschappen. Blauwe luchten, bruine aarde en hier en daar wat mensen ertussenin. Er is een wanverhouding tussen de menselijke kleinheid en de natuurlijke grandeur. De wildernis knaagt aan elk dorp. De Voortrekkersweg begint en eindigt in de leegte. Deze verlatenheid heeft de mensen kleiner gemaakt. In mijn halfslaap blijf ik maar door de eindeloze leegheid rijden, over rijkswegen die door bossies en heuvels krassen. Langs dorpshotels, blikken daken, witte kerktorens, onder die hemel zonder vlek, tot de avond op de stoep neerdaalt en de oude vrouwen hun riempiestoelen buiten zetten en de straat in staren.

.

en ik in slaap val. Ik reis door een culturele woestijn. Nergens een winkel of schouwburg. De bioscoop is een laken buiten of een schimmenspel in de consistoriekamer. Al vertellen de mensen verhalen, bijna niemand leest. Alleen het boek met de grote B. In de huizen overal dezelfde wansmaak: bloemlinoleum in de gang, gebloemde kamerbrede vloerbedekking, rubberachtige kamerplanten, orlon, perlon, nylon spreien, koperen bloemstukken, bloemmotieven op de tuinmeubels. Overal gehaakte kleedjes op de tafels, de stoelen, over de glazen, de bekers, de kannen. Koperen platen met wildtaferelen. Het is een cultuur zo diep als gebloemd linoleum. De dorpswinkel is de tempel, de geest gaat op water en brood naar bed.

Deze dorpen vertellen me meer over Zuid-Afrika dan de beelden van oproerpolitie, smeulend traangas, dansende en zingende menigten die de failliete sociale verhoudingen moeten illustreren. De blanke dorpsbewoners staan pal voor het behoud van hun cultuur, maar hun cultuur is zo leeg als de natuur, nihilistisch bijna, niet als ontkenning van God maar een ontkenning van smaak, van waarden. En uit naam van die cultuur wordt anderen het volledig burgerschap onthouden. Uit naam van die cultuur rijden de pantserwagens door de townships, ontploffen bommen op stations.

De dorpen benauwen me meer en meer, maar we zijn pas halverwege.(Culturele armoe is niet uniek voor Zuid-Afrika, zoals veel van het onrecht en de waanzin hier. Eva hoort niets liever dan verhalen over discriminerende Chinezen in Xinjiang en over Newyorkers die bang zijn in Harlem. Het doet haar goed als ik Arkansas met Zuid-Afrika vergelijk en de dooie dorpsheid van de Karoo met de geharkte gezelligheid van Stroe. Ze zegt: ' Je verlicht mijn schaamte.'

Het verlicht mij. Ik wil reizen zonder vooroordelen, maar het valt niet mee.)Naar het westen. We maken een cirkel in de Karoo, hoe verder we gaan, hoe verder Eva's familie. In Vosburg, De Aar of was het Britstown, of Carnavon - en wat is het verschil? - logeren we in het hotel van Libertus Landman. Toeval. Al bij ons inschrijven haalt hij zijn stamboom uit de kluis en na een ratelsom van namen blijkt hij een achter-achterneef. Hij staat erop dat we Neef tegen hem zeggen of Lieb, zo noemt zijn vrouw hem. Maar Neef is te dichtbij voor een man die een swastikavlag van de Afrikaner Weerstands Beweging aan de muur van zijn balzaal heeft hangen. Vijf weken geleden sprak Terblanche hier.

We zijn de enige gasten, een ander hotel is er niet. De balzaal is ook eetzaal. Stoelen aan de kant, neonlampen boven ons hoofd en een ranzig schaap op tafel. Buiten is het warm, en de lucht is zwaar van regen.

Lieb serveert in zwembroek met drupvlek, een enorme bos sleutels rammelt om zijn nek. Hij morrelt voortdurend aan kasten en laden. Glazen, bestek, zout, peper, plastic anjers, alles komt van achter slot en grendel. Als zijn gerammel op veilige afstand is, klimt Eva op een stoel en haalt de swastikavlag van de muur. Ze legt hem opgevouwen op een lege tafel. ' Dankie, ' zegt Lieb later, ' voor je het weet is hij gestolen en maken ze er een pyjama van.' Buiten schreeuwt het werkvolk voor de canteen, binnen lachen de boeren in de kroeg.

Overal dezelfde dronkenschap. ' Kleurlingen drinken veel, ' zei een jonge politieagent ons die middag terwijl hij op de stoep van het bureau een partij handboeien in de olie zette. ' Maar het zijn geen alcoholisten zoals de blanken. Ze ruiken altijd naar wijn, ook als ze dagen geen druppel drinken. We proberen ze te helpen. We sluiten ze op als ze hun vrouwen slaan. Twee keer per maand komt de sociaal werkster, ze wil de allerergsten naar een kliniek sturen. Maar de boeren laten ze niet gaan.' We drinken mee. Een biertje op de stoep. Buiteverbruik onder de platanen (' Geniet ons koelte bome' stond er aan de rand van het dorp). De drinkers genieten niet. ' Ons kan net kinders maak en drink, ' zegt een meisje met uitgetrokken voortanden. Ze werkt bij de bakker, de enige winkel die nog over is, daar bakt ze fish and chips, maar er is al weken geen vis.

Het groepje drinkers verdooft ons met zijn asem. Hier zitten twee blanken met grote ogen naar hun verhalen te luisteren en we zullen het weten ook. Ze worden geslagen, ze verdienen niets, de politie sluit ze zomaar op. In het witte bovendorp staan de huizen leeg en zij mogen er niet in. ' Ze zijn voor veertig rand te koop en wij wonen in sinkhokkies.'

Ze liegen, de verlaten huizen kosten tussen de vijfhonderd en duizend rand, de lokasie is vol, maar zinken huisjes staan er niet.' Niemand durft zijn arbeiders nog te slaan, ' zegt een bruine vakbondsinspecteur die de lokasies in de Karoo afreist ons de volgende dag op straat. ' Geen boer mishandelt het paard dat hij morgen moet gebruiken.'

Toch noteert hij de klachten in zijn notitieboekje. ' De regering is op onze hand. De boeren zijn veel te bang. Wij geven alles door.'

Ik schrijf ook op wat ik hoor, maar mij vertellen de drinkers wat een buitenlander kennelijk verwacht.

We lopen met wat opgeschoten jongens door het bovendorp. Verschrikte ooms en tannies achter de gordijnen, alsof we heulen met de vijand. We passeren een oude zwarte man die met een stokje in de grond zit te porren. De jongens schoppen lege bierblikjes voor zijn voeten. ' He, Mandela, wat het jy vir Winnnie uit die tronk gebring?' De oude man lacht, hij is onnozel. De jongens geven het antwoord zelf: ' 'n Tronkvoel.'

.

Ze vallen haast om van het lachen.' Mandela? Die praat niet voor ons. Wij zitten gevangen in dit dorp.' De kleurlingen zijn een generatie achter bij de blanken, ' zegt een gepensioneerde hoofdonderwijzer ons later in de kroeg (Binnegebruik). ' Ze willen allemaal onze rechten, maar ze willen niets met de zwarten te maken hebben. De zwarten vinden de kleurlingen bastaards. Vroeger wilden ze wel met ze trouwen, dat had een praktische reden. Hun kinderen konden zo een trapje stijgen, beter onderwijs en geen gedoe met pasjes. Maar kleurlingen willen niet met zwarten trouwen. Er is een klasseverschil, hoe lichter hun vel, hoe hoger hun status. Geschoolde bruinmensen willen ook niets met blanken te maken hebben. Hahaha, als wij er niet waren zouden de kleurlingen de apartheid wel hebben uitgevonden.'

Hahaha, hij pakt er zijn zakdoek bij, zo leuk vindt hij het.

De onderwijzer tikt tegen zijn glas, Lieb schenkt bij. We kennen Neef nu twee dagen, over politiek wil hij niet praten, maar hij heeft het over niks anders. ' De lokasie is nu te communistisch. Elke dag een betoging.'

Lieb vindt het bitter onrechtvaardig dat hij voor zijn kind honderd keer meer schoolgeld moet betalen dan een kleurling. ' Ons sukkel, hulle kry alles. Ze worden veel te geleerd, niemand wil er meer op een plaas werken, ze willen allemaal op kantoor en evenveel verdienen als een blanke, terwijl hun diploma minder waard is. De regering leidt werkelozen op. Ze drinken te veel, worden brutaal en planten zich voort als konijnen. Nu heeft de verpleegster gezegd dat er een nieuwe wet is die het krijgen van meer dan twee kinderen verbiedt. Ze laat de vrouwen gewoon steriliseren. Alleen de mannen zijn ertegen, ze zijn bang dat hun vrouwen te onafhankelijk worden.' Lieb is er trots op dat hij sinds matriek geen ander boek dan de bijbel heeft aangeraakt. Van wetenschap en techniek wil hij niets weten, alleen geschiedenis vindt hij interessant, de geschiedenis van de Afrikaners welteverstaan.

Hij is een van de ouderlingen in het dorp. De dominee komt hier maar vier keer per jaar, tijdens Nagmaal, dan trekken de boeren van alle kanten naar de kerk en is het dagen druk in zijn hotel. De drank is een duivel, maar een ouderling moet ook leven. En de kleurlingen willen niet anders. Natuurlijk, ze mogen ook binnen in de kroeg, maar dan moeten ze wel de witte prijzen betalen en dat accepteren ze niet, dus schreeuwen ze voor de deur. Buiten is alles goedkoper. Lieb heeft goedkope whisky, goedkope brandewijn. ' Kleurlingen krijgen alles op een presenteerblaadje aangedragen.'

Liebs mond staat naar klagen. Maar als er even later een bruine man de kroeg binnenkomt, is hij allervriendelijkst. Hij informeert naar zijn gezondheid en schrijft zijn whisky op de lat. Ook tegen een meisje dat haar lip aan een blikje gescheurd heeft en dat om een pleister vraagt, is hij voorkomend. Samen met zijn vrouw, die dik en pukkelig in de keuken woont, wast hij de wond uit. Hij klopt het meisje vaderlijk op haar rug.' Ik help ze omdat ik een christen ben, ' zegt Lieb. ' De hotelgasten zeggen vaak dat ik zo onaardig over ze praat, maar dat zijn Transvalers die niets van de kleurling begrijpen. Ik moet ook vaak hard tegen ze zijn. Je kan ze niet iets suggereren. Je moet het ze duidelijk zeggen, dan respecteren ze je. Alleen dan zullen ze je nooit bestelen. Laatst was hier een jongen uit een ander dorp, die een greep uit de kas deed. Mijn bedienden pakten hem en zeiden: 'Baas, zullen we zijn hand afhakken?' Ik ben streng, maar krijg er trouw voor terug.' 'Met klagen komen de kleurlingen er niet. Wij hebben het ook arm gehad. Mijn pa was arrem, wij hadden het slechter dan de hotnots. Hij was een bijwoner en toen de boer waar hij werkte zijn plaas opgaf, moest hij in Port Elisabeth gaan werken. Hij had geen diploma's en daar pikten de zwarten zijn plaats in. Mijn pa heeft gevochten voor zijn kinderen, het heeft hem hard gemaakt en het heeft mij hard gemaakt.' Mijn pa had groene vingers. Hij heeft vijftien jaar als een koelie in de stad gewerkt en maar voor een ding gespaard: een eigen plaas. Dertig mijl van hier kon hij er een huren, met alleen 'snachts waterrechten. Ik moest hem helpen het water uit de dam over de akkers te leiden, maar er wou niks groeien, de grond was te zuur en alle dieren zijn gestorven. Het was bittere armoe, niemand heeft ons toen geholpen, niemand helpt ons nu!' ' En daarom stem je op de AWB.' ' Daar praat ik met buitenlanders niet over. Alleen dit, Terblanche is de meest dynamische leider die ons land op het ogenblik heeft. Jullie moeten je helemaal niet met ons bemoeien.

Dingen gaan langzaam. We kunnen de zaak niet overhaasten. Als je mensen die nog niet voor zichzelf kunnen zorgen te snel verantwoordelijkheden geeft, krijg je chaos. Dat begrijpen jullie buitenlanders niet. Jij komt hier met je mooie ideeen om mij te vertellen wat ik moet doen. Als wij wisten hoe we onze problemen moeten oplossen, zouden we dat heus wel doen. De Engelsen weten het ook zo goed, pfff, er wonen nog geen anderhalf miljoen zwarten en ze hebben meer rassenrellen dan wij.' Ik kan me nauwelijks beheersen, wil hem zeggen dat er bij het opruimen van een illegaal dorp in Kaapstad meer doden vielen dan ooit bij elkaar in Engelse rassenrellen. Maar ik knijp in de rand van de tapkast en luister.' Ik wil geen kritiek van mensen die niet eens hun eigen land kunnen beheren. De Australiers moeten ook hun mond houden. Kijk wat zij hebben gedaan, hun Aboriginals uitgemoord. Miljoenen hebben ze er daar over de kling gejaagd. Er zijn er nog een paar duizend en die hebben minder rechten dan de zwarten hier. toch schreeuwen ze, noemen ons racisten en hetzelfde geldt voor Nieuw-Zeeland. Ze protesteren tegen onze rugbyspelers en in onze Springboks zitten nota bene twee kleurlingen.' ' Kontlikkers, sell outs, ' zeg ik kwaad.

Lieb ontploft. ' De Nieuwzeelanders hebben de Maori uitgemoord. Nu is de blanke daar in de meerderheid. Kunst, om dan aardig voor een handvol zwarten te wezen. Wij hebben thuislanden. Daar is het buitenland ook al tegen. Amerika deed precies hetzelfde. Indianen? In reservaten. Als je vandaag een Indiaan wilt zien, moet je een paar honderd kilometer rijden.' ' Je weet er veel van, voor iemand die nooit leest. ' ' Ons lyk baie agter die klip, maar ik heb een schotel, ik kijk televisie. Wij hebben driehonderd jaar geleden een fout gemaakt. We hebben de zwarten niet afgeslacht omdat onze vooroudes christenen waren. We hebben ze werk gegeven, opgeleid. Als je ons met anderen in de wereld vergelijkt, zijn wij het enige land dat zijn inboorlingen niet heeft uitgemoord. Iedereen vergeet graag zijn verleden, de Australiers, de Nieuwzeelanders, de Amerikanen. Ze willen niet weten wat ze met hun zwarten gedaan hebben. Wij zijn trots op ons verleden, wij hebben onze zwarten nog.' Ik wil iets zeggen, maar krijg de kans niet.' Ik heb geen zin me door buitenlanders te laten beledigen. Om ons altijd te moeten rechtvaardigen, want jullie vergeten dat de Afrikaner ook moest lijden.' Eva kijkt weer eens naar de grond.' Kijk hoe dit dorp sukkelt. Alle blanken verdwijnen. Vorige week ging er weer een winkel dicht. Onze handen zijn afgekapt. Nu wil de eigenaar dit hotel verkopen omdat ik de pacht niet kan betalen. Maar ik ga vechten voor dit dorp. Wat mij pa niet lukte zal mij lukken. Voor dit land heb ik geen kennis nodig, maar liefde, en die zit in mijn handen. Ik ga een groentewinkel beginnen. Hierdie plek het toekoms. Er is een begrafenisondernemer bijgekomen, ik ga een caravanpark bouwen en we hebben tegenwoordig elke week een hotelgast. Ons het 'n deuk gekry, maar alles sal reg kom.

'Daar drinken we op. Liebs toekomst ligt in het verleden. Zoals de boeren zich in de jaren dertig van de vorige eeuw verzetten tegen de Britten, tegen de politieke rechten voor Afrikanen, kleurlingen en Indiers, en tegen de 'uitlanders' tegen ketters die de evolutieleer verkondigden, zo is hij tegen machtsdeling, want wie de macht deelt verliest hem. Tegen Amerika dat zijn land aan de communisten uitlevert, tegen de Nationale Partij die het land naar de ondergang voert, tegen buitenlanders die hier te snel geld komen maken, tegen Europa - ' Waarom denk je dat wij ons Afrikaners noemen?' - tegen Namibie, tegen alles wat verandering brengt. En zoals zijn voorvaderen de ossen voor de huifkar spanden en de Kaap verlieten, zo trok hij naar de Karoo, zijn witte paradijs. Droogte kan hem niet deren. Gods hand zal hem leiden, net als de joden in Israel zal hij de akkers om zijn dorp groen maken, groen en het dorp wit.

De Karoo speelt geen enkele rol in de Zuidafrikaanse politiek, niet in de stemmen, niet in de economie. Hooguit als symbool van de Boer, want daar is de Afrikaner nog vrij, houdt hij de tradities nog in ere. Transvaal domineert met zijn goudmijnen en zware industrie, daar woont de macht. De Kaap kosmopolitisch, een zakencentrum, leverancier van wijnen en vruchten, het Californie van Zuid-Afrika. De Karoo is een vergeten plek daartussen. Terblanche en zijn kameraden van de Afrikaner Weerstands Beweging mogen een herstel van de Boerenrepubliek eisen, in de Transvaal of de Vrijstaat, Lieb gelooft in de Karoo, en in zijn dorp dat op sterven na dood is, en in een partijdige God. ' God heeft Jezus in een vijandige wereld gezonden. Ook wij moeten de vijandige wereld in. Ik blijf hier.' Als we zondagmorgen het hotel verlaten, schrijft hij de rekening in een zwart pak, met een wit overhemd en een witte das. Vandaag is Lieb ouderling. Hij telt de rekening twee keer na, maar berekent ons veertig rand te weinig. Hoewel ik zijn kas niet wil spekken - misschien een swastikavlag minder - wijs ik hem toch op zijn vergissing. Op de een of andere manier wil ik dat hij hier blijft. Dat hij dit dorp in leven houdt.

. Jailbird; 'tronk' is gevangenis

Het beloofde land Voorjaar 1990 bezocht Adriaan van Dis Zuid-Afrika. Met zijn oude vriendin Eva Landman reisde hij naar de Karoo, het grote binnenlandse plateau in het noord-oosten van de Kaapprovincie, waar de Afrikaner familie Landman al tweehonderd jaar worstelt met de dorre bodem. Vijfde aflevering in een serie over blanke Zuidafrikanen in tijden van verandering. In het dorp van neef Lieb, ouderling en hotelier. 'Wij zijn het enige land dat zijn inboorlingen niet heeft uitgemoord.'

    • Adriaan van Dis