Weduwe NSB-leider: 'mijn man is vermoord'

AMSTERDAM, 22 sept. NSB-leider mr. M. M. Rost van Tonningen, Musserts plaatsvervanger en president van De Nederlandsche Bank van 1941 tot 1945, zou kort na de oorlog geen zelfmoord hebben gepleegd, zoals tot nu toe wordt aangenomen, maar zou zijn vermoord. Een bewaker van de strafgevangenis Scheveningen zou hem uit de weg hebben geruimd.

Dit staat in de autobiografie die door de weduwe van de omgekomen NSB-leider, mevrouw F. S. Rost van Tonningen-Heubel, is geschreven en die over enkele weken uitkomt in een oplaag van ruim tweeduizend exemplaren. Hoewel ze de laatste dagen van haar man en de exacte toedracht van diens dood gedetailleerd beschrijft, noemt ze in haar boek voor deze gegevens geen concrete bron. Op een vraag hiernaar antwoordde mevrouw Rost van Tonningen gisteravond dat ze haar beweringen baseert op gesprekken die ze enige jaren na de dood van haar man voerde met een aantal 'betrokkenen'. 'Ik heb alles heel precies uitgezocht; de bewijzen liggen zwart op wit bij mij thuis', aldus de schrijfster. Als de belangrijkste bron noemde ze de Haagse politieman Gross, die zich indertijd bezighield met het onderzoek naar de wreedheden waaraan de bewakers in de strafgevangenis Scheveningen zich schuldig maakten. Geruchten over de folteringen die met name een prominente arrestant als Rost moest ondergaan, waren uit de voor iedereen hermetisch gesloten gevangenis naar buiten doorgedrongen, en de Haagse politie stond op het punt in 'Scheveningen' een inval te doen om Rost op te halen. Om dit te verijdelen, zou Rost zijn vermoord.

Rost van Tonningen had overigens zijn dood in de strafgevangenis Scheveningen kunnen voorkomen als hij in februari 1945 het aanbod had aangenomen om zich laten helpen bij een vlucht naar Brazilie via een Belgisch klooster. Het aanbod werd gedaan door niemand minder dan de commandant van de Binnenlandse Strijdkrachten in Amsterdam, C. F. Overhoff, een van de hoogste leiders van de georganiseerde illegaliteit in Amsterdam. Ondanks fundamentele verschillen van politiek inzicht was Overhoff begaan geweest met het lot van het gezin Rost van Tonningen.

De naam van haar uitgever wil de schrijfster nog geheim houden uit vrees dat antifascistische activisten de verspreiding van de autobiografie zullen tegenhouden. De titel van het boek, Op zoek naar mijn huwelijksring, is ontleend aan een portret dat Rost van Tonningen in 1941 van zijn echtgenote had laten schilderen en waarop ook haar trouwring duidelijk staat afgebeeld. De weduwe vond het portret na twintig jaar toevallig terug.

De moord op haar man en de beschuldiging dat de autoriteiten de toedracht vervolgens in de doofpot zouden hebben gestopt, waren voor mevrouw Rost van Tonningen naar eigen zeggen de belangrijkste drijfveer om haar herinneringen op papier te zetten. Volgens haarzelf zou zij over de nazi-ideologie heel anders zijn gaan denken als haar man na de oorlog een eerlijk proces had gehad. In het recente verleden is de weduwe meermalen in opspraak geraakt doordat haar woning een centrum was van neo-nazistische activiteiten.

Het boek is een chronologische opeenvolging van herinneringen, gelardeerd met teksten van toespraken, brieven en telegrammen. In de zomer van 1940 ontmoette de toen zesentwintigjarige Gooise bankiersdochter Florrie Heubel, die nog met prinses Juliana had getennist ('tevoren kregen we op het hart gedrukt haar altijd te laten winnen') de ruim twintig jaar oudere Meinoud Rost van Tonningen op een zomerkamp van de Jeugdstorm, waar de destijds al redelijk prominente NSB-voorman een toespraak hield. Ze trouwden nog in datzelfde jaar. De Reichsfuhrer SS Heinrich Himmler, met wie het echtpaar bevriend was, had grootse plannen met Rost van Tonningen. Himmler wilde volgens de schrijfster dat haar man leider van de NSB zou worden omdat Anton Mussert 'niet direct als de ideaalfiguur werd gezien als leider van het Nederlandse volk' (zelf typeert ze Mussert als 'een representant van de beschaafde burgerstand' die permanent bang was voor de aristocratische Rost). Toen Rost dit weigerde om Mussert niet voor het hoofd te stoten, stelde Himmler hem de functie van 'Hoofd van de SS in Nederland' in het vooruitzicht. Het werden tenslotte het presidentschap van De Nederlandsche Bank Rost had voor de oorlog bij de bank Hope en Co. gewerkt en het plaatsvervangend leiderschap van de NSB. In 1945 had het echtpaar twee zoons en was mevrouw Rost in verwachting van haar derde kind toen het gezin gescheiden werd. Moeder en kinderen belandden in Duitsland, de vader werd in mei 1945 bij Elst, waar hij in de buurt ondergedoken had gezeten, gearresteerd. Hij werd eerst naar Utrecht en vervolgens naar de Strafgevangenis Scheveningen gebracht. Dr. L. de Jong vermeldt in deel 12 van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog dat de zwaar gedeprimeerde Rost op 6 juni 1945 een eind aan zijn leven maakte door van een van de bovengalerijen in de gevangenis te springen. Het vooruitzicht de kwellingen en vernederingen te moeten ondergaan die hij bij zijn aankomst in de gevangenis om zich heen had gezien, zou hem de moed om verder te leven, hebben ontnomen. Ook de kinderen van Rost hebben blijkens een interview met oudste zoon Grimbert in NRC Handelsblad van 15 mei 1982 deze toedracht altijd voor waar aangenomen. Volgens hun moeder echter is er iets anders gebeurd.

Uitgebreid beschrijft zij de martelingen en mishandelingen die haar man moest verduren van het bewakingspersoneel. 'Men bond hem als verder grapje een touw om zijn penis om hem daarmee over de vloer te slepen wanneer hij niet gauw genoeg hun walgelijke opdrachten kon uitvoeren.'

Zo moest hij volgens het boek voor hoeren die ter opluistering van cipiersfeesten de gevangenis waren binnengebracht, naakt in de houding staan en het Wilhelmus zingen. Vloeren die door de bewakers waren ondergespuugd, moest hij schoon likken. Urenlang moest hij geknield zware bakstenen omhoog houden.

Volgens de autobiografie zou de commandant van de gevangenis tegen Rost bij diens aankomst hebben gezegd 'dat hij wel levend de gevangenis binnen was gekomen, maar dat hij er nooit meer levend uit zou komen'.

Het plan van de politie om Rost wel degelijk levend te komen halen, zou zijn uitgelekt. 'Dat verklaart het feit dat tegen alle gebruiken in het vangnet in het trapportaal (dat daar hing om zelfmoordpogingen te voorkomen, GM) plotseling was weggenomen. Toen mijn man na een vreselijke nacht naar buiten werd gedreven (...) heeft een bewaker hem plots gegrepen en over een een meter vijfentwintig hoge leuning van het trapportaal gewerkt, waarna hij in het trappenhuis te pletter is gegooid.'

De bibliotheekbeheerder van de gevangenis, die er getuige van was, zou hierna zenuwziek in een inrichting zijn opgenomen. De weduwe ontving een jaar later een rekening voor de transportkosten van het lijk van haar man, zijnde zevenenveertig gulden en vijfentwintig cent.

Het was juist de ontvangst van deze rekening, zonder verdere toelichting, die haar ertoe aanzette de reden van de dood van haar man te achterhalen. 'Aanvankelijk kreeg ik ook het zelfmoordverhaal te horen, maar daar geloofde ik niet in, ' zei ze gisteravond. De Jong schrijft dat de secretaris-generaal van Justitie, Tenkink, kort na het bericht van Rosts dood enige officieren naar 'Scheveningen' stuurde om een onderzoek naar de doodsoorzaak in te stellen. Hun werd echter de toegang geweigerd.

Dat BS-commandant Overhoff 'ondanks zijn afkeer van de Duitse bezetting' aanbood en zelfs 'smeekte' het gezin Rost naar Brazilie te helpen vluchten, is niet zo ongeloofwaardig als het op het eerste gezicht misschien lijkt. Overhoff was voorzitter van de Vereeniging voor den Effectenhandel geweest en had in die hoedanigheid Rost van Tonningen goed leren kennen en zelfs waarderen. Rost had het aanbod overigens afgewezen omdat hij meende 'zijn financieel beleid geheel te kunnen verantwoorden'. Ook bij het naar buiten brengen van het manuscript van Op zoek naar mijn huwelijksring heeft 'de illegaliteit' een rol gespeeld. De voormalige Arnhemse verzetsman J. Wildschut, die na de oorlog voor zijn daden nog een onderscheiding heeft gekregen, staat al jaren met mevrouw Rost van Tonningen in contact. Hij speelde de tekst tenslotte met toestemming van de schrijfster toe aan een kennis van hem, de Arnhemse freelance journaliste Jeannette Joosten.

    • Gerard Mulder