WAAROM KOEWEIT NIET BIJ IRAK HOORT

De Iraakse inval in Koeweit heeft deze kleine golfstaat plotseling in het centrum van de belangstelling geplaatst. Bij toeval verscheen er enkele weken geleden een boek van de hand van de Engelse Arabie-kenner Peter Mansfield over Koeweit. Het land wordt hierin op zeer onderhoudende wijze bij de lezer geintroduceerd. Veel aspecten passeren de revue, de vroegste geschiedenis, de cultuur, de economie, maar ook de sociale structuur. Mansfield heeft Koeweit vele malen bezocht en was twaalf jaar lang, van 1956 tot 1967, als journalist in het Midden-Oosten werkzaam. Gedurende deze periode was hij zeven jaar lang correspondent van de toen nog zeer gerenommeerde Sunday Times. Daarna vestigde hij zich in Londen, maar bleef het Midden-Oosten regelmatig bezoeken en erover publiceren.

Gezien de lange produktietijden van boeken is het natuurlijk uitgesloten dat Mansfield op de valreep de laatste ontwikkelingen met betrekking tot Koeweit nog zou hebben kunnen meenemen. Ik vermoed dat de recente gebeurtenissen een voor de auteur schokkende ervaring zijn, want in het laatste hoofdstuk van zijn boek, waarin Mansfield naar de toekomst van Koeweit kijkt, rept hij met geen woord over mogelijke moeilijkheden met Irak. De recente invasie ziet hij, uiteraard zou ik bijna zeggen, niet aankomen. Maar gezien het feit dat de aanspraak die Irak op Koeweit maakt al decennia lang de enige echte bedreiging van haar soevereiniteit is geweest, is het ontbreken van enige speculatie over de toekomstige verhouding van Koeweit met Irak bijzonder onfortuinlijk. Te meer omdat Mansfield eerder in zijn boek wel ingaat op de problemen die er met Irak zijn geweest. Deze moeilijkheden vinden hun oorsprong in de Iraakse claim dat Koeweit onderdeel is geweest van de provincie Basra ten tijde van het Osmaanse Rijk. Mansfield geeft terecht aan dat deze claim niet deugt. Koeweit heeft namelijk al sinds 1756 een vorm van autonomie gekend terwijl het huidige Irak pas in 1918 echt ontstond toen de drie zuidelijke provincies van het Osmaanse Rijk onder deze naam als mandaatgebied aan de Engelsen werden toegewezen. Koeweit was van 1899 tot 1961 ook als protectoraat aan Londen gekoppeld. Dat hield onder meer in dat de lokale machthebbers geen enkel deel van het grondgebied op welke wijze dan ook in beheer zouden geven aan regeringen of onderdanen van vreemde mogendheden zonder uitdrukkelijke toestemming van de Britten.

Verder behandelt Mansfield toch ook de coup van 1958 in Irak met zijn gevolgen, een gebeurtenis van cruciaal belang voor Koeweit. Hierbij werd de door de Britten in 1921 geinstalleerde monarchie omver geworpen waarbij de koninklijke familie en een aantal getrouwen werden vermoord. De staatsgreep bracht een bewind aan de macht dat onder leiding stond van kolonel Abd al-Karim Kassem. Mede naar aanleiding van de gebeurtenissen in Bagdad intervenieerden de Amerikanen in Libanon en de Britten in Jordanie omgelijk-soortige staatsgrepen in deze landen te voorkomen. Washington en Londen vreesden een verdere versterking van de machtspositie van de Egyptische president Nasser, maar al spoedig bleek dat Kassem zich als een rivaal en criticus van Nasser ging opstellen.

Mansfield vermeldt dat een aantal oudere politici in Koeweit de ontwikkelingen in Irak met lede ogen aanzag omdat wel duidelijk was dat de Iraakse aanspraak op Koeweit door Kassem zou worden hernieuwd. Onder de monarchie was de claim er ook wel, maar deze werd nooit echt kracht bijgezet. Wel waren er pogingen van Irak om Koeweit te betrekken bij het zogenaamde Pact van Bagdad in ruil voor zoetwaterleveranties uit de rivier Shatt al-Arab. Het Pact van Bagdad was een onder Amerikaanse auspicien opgerichte regionale veiligheidsorganisatie waarvan Turkije, Irak, Iran en Pakistan deel uitmaakten. Doel van de VS was met dit pact ook in deze regio de Sovjet-Unie in te dammen. Hoewel Koeweit een acuut waterprobleem had, sloeg de emir het aanbod af omdat te grote afhankelijkheid van Irak gevaarlijk was. Mansfield wijst in dit verband ook op de strikte neutraliteit die Koeweit altijd in acht heeft willen nemen ten aanzien van het Oost-Westconflict.

In de eerste jaren na de Iraakse coup liet Koeweit weten af te willen van de status van protectoraat. Na onderhandelingen met de Britse regering werd in 1961 de onafhankelijkheid uitgeroepen, maar er was nog wel een overeenkomst waarbij Londen verantwoordelijk zou blijven voor de defensie van Koeweit in geval van nood. Nog geen week na de officiele onafhankelijkheidsverklaring gebeurde het bijna onvermijdelijke. Kassem verklaarde in Bagdad dat Koeweit onder Iraakse soevereiniteit viel. Geen enkel ander land in de regio steunde de Iraakse claim en de Britten besloten tot een militaire interventie om Kassem af te schrikken. Hoewel het niet duidelijk was of Bagdad ook daadwerkelijk van plan was Koeweit op stel en sprong met militaire middelen te annexeren, zorgden de haastig overgevlogen Britse troepen ervoor dat het daar in ieder geval niet van zou komen. Mansfield was op dat moment als correspondent in Koeweit aanwezig en vermeldt verder nog dat een aanzienlijk groep Britse militairen grote problemen had met de hitte van de woestijn. Er dient zich hier in meer dan een opzicht een parallel aan met de huidige situatie. Ook in 1961 liep de Arabische wereld niet warm voor de Iraakse claim. Zo had de Egyptische president Nasser bijvoorbeeld grote moeite met de pretenties van Kassem als de radicale leider van de Arabieren te worden gezien.

INCIDENTENBinnen twee maanden na de succesrijke Britse interventie werden deze troepen trouwens vervangen door manschappen van de Arabische Liga. De Iraakse dreiging was nu voorlopig afgewend. In 1963 werd Kassem op zijn beurt bij een staatsgreep afgezet en vermoord. Sinds die tijd zijn er incidenten geweest aan de grens tussen Irak en Koeweit, maar van serieuze Iraakse dreigementen was geen sprake. Desalniettemin is het deels sluimerende bestaan van de Iraakse claim altijd een factor van grote betekenis voor het bestaan van Koeweit geweest. Hoe sterk dit sentiment in Bagdad leeft, werd nog eens onderstreept door Saddam Hussein na de recente invasie.

Wellicht bestond bij Peter Mans-field de indruk dat er na het Iraakse oorlogsavontuur tegen Iran geen enkele reden was voor Bagdad om zich vervolgens tegen Koeweit te keren. Het is in feite ook onvoorstelbaar, gezien het feit dat de Koeweiti's samen met Saoedi-Arabie een bedrag van tussen de vijfendertig en vijftig miljard dollar aan Irak hebben geschonken tijdens de oorlog. De 2,4 miljard dollar die Irak in juli van Koeweit eiste als compensatie voor gestolen olie, is in dit licht bezien dan ook ronduit belachelijk.

Overigens geeft het boek van Mans-field een goed overzicht van de maatschappelijke ontwikkelingen in Koeweit. Hierbij moet echter wel worden aangetekend dat, ook al door het ontbreken van een notenapparaat, het boek mijns inziens uitdrukkelijk niet dient te worden gelezen als een inleidende algemene geschiedenis van Koeweit. Het is de persoonlijke kijk van de auteur die het land gedurende ruim dertig jaar geregeld heeft bezocht en die, in zijn eigen woorden, een bescheiden poging wil doen een synthese te vinden tussen het Westerse beeld van Koeweit en het perspectief van de bewoners van dit land. Daarin faalt hij zeker niet. Ik neem aan dat er binnen niet al te lange tijd een gereviseerde paperback-editie van Mansfield's boek over Koeweit zal verschijnen. Het valt wel te hopen dat Mansfield dan het voor Koeweit relevante buitenlandse politieke krachtenveld meer zal benadrukken.

    • Hutchinson 1990
    • Vanguard Of The Gulf Door Peter Mansfield 138 Blz
    • Richard 't Hart Kuwait