TUSSEN DE KLEINE MANNEN MET GEWEREN; Journalist-historicus Peter Hopkirk over zijn fascinatie met Centraal Azie

Peter Hopkirk (58) ontvangt ons in het statige pand van zijn uitgever John Murray.

Ook als we hem zouden hebben misgelopen, hadden we om zijn werk niet heen gekund: foto's van de voor zijn boek gebruikte illustraties zijn in de gangvitrine geetaleerd. Afgaande op de recensies van zijn nieuwste boek doemen de contouren van een bestseller op. The Great Game gaat over spionage activiteiten in de negentiende eeuw in het berggebied dat in een boog om noordelijk India loopt. Hopkirk was, voordat hij zich als full-time auteur op Centraal Azie richtte, bijna twintig jaar verslaggever bij The Times, waaronder een aantal jaren als specialist voor het Midden- en Verre Oosten. In een studeersalon betrekken we posities rond een fraaie, oude tafel. Ofschoon informeel gekleed, roept hij door kleding en gedrag toch associaties op met 'betere kringen'. ' Moet ik een das aandoen voor de foto, ' vraagt hij geschrokken, ' Ze hebben bij Murray er vast wel een.'

' Typisch een public schoolboy, ' mompelt de fotograaf met kennersblik.

Aan de wanden van de salon hangen portretten van bekende en minder bekende Murray-auteurs. Patrick Leigh Fermor, in zuid-Franse pasteltinten, hangt in een ovale lijst, David Livingstone kijkt volgens de strenge regels van de portretkunst de kamer in en achter Hopkirk hangt de in Kaboel vermoorde Sir Alexander Burnes. Burnes was een van de Britten die op last van hun regering in het geheim werden uitgezonden om het nog onbekende grensgebied tussen India en Rusland in kaart te brengen, een van de vele spelers in wat door Kipling in misleidend sportieve termen als 'The Great Game' werd bestempeld. Het is een romantisch schilderijtje. Burnes is afgebeeld in burnous, in zijn riem steekt de vervaarlijk ogende Arabische kromdolk. Kijkend naar het portret zegt Hopkirk: ' Het moet een nare man geweest zijn. 'Cocky', arrogant, maar buitengewoon moedig.'

De bladzijden van Hopkirks boeken puilen uit van de vermetele ontdekkingsreizigers a la Burnes. Wanneer ontstond die belangstelling voor dit soort avonturiers in Centraal Azie? Hopkirk: ' De eerste keer dat ik met hen in aanraking kwam, was bij Fitzroy Maclean. In Eastern Approaches (Jonathan Cape 1949 H. M.) schrijft Maclean over zijn avonturen in Centraal Azie en de Balkan. Toen ik het las, was ik negentien, en de fascinatie met het gebied dat ruwweg wordt begrensd door de Kaukasus in het westen en de Gobiwoestijn in het oosten, heeft me nooit meer verlaten.' Maar wat deed Burnes tussen de 'little men with rifles on ponies, in remote places', zoals u de setting van uw verhalen kenschetst, en zoals het voorblad van uw boek toont? ' Daarvoor moet je eerst iets weten over de buitenland politiek van het Victoriaanse Imperium. Er bestonden in het Groot Brittannie van de vorige eeuw twee stromingen binnen het militair strategische denken met betrekking tot de verdediging van India tegen tsaristisch Rusland. De 'forward policies'-school en de 'mas-terly inactivity'-school. De eersten wilden de Indiase grens zover mogelijk naar het noorden opschuiven. En als het niet zou lukken de volken in het grensgebied aan het gezag van Delhi, dus Whitehall te onderwerpen, dan moest men zien hun goedgunstigheid voor zich te winnen opdat een zo sterk mogelijke buffer tegen een Russische expansie gevormd werd.

De mensen van de 'masterly inactivity'-school meenden dat Rusland, als het al de islamitische vorstendommen van Kokand, Bokhara en Khiva zou weten te onderwerpen, bij een eventuele doortocht over het Pamir of Hindu Kush gebergte voor onoverkomelijke logistieke problemen zou komen te staan. Ook zouden de bergstammen - Turkmenen, Baluchi's of Pathanen die door de onherbergzaamheid van hun omgeving wel van roof moesten leven - nooit iemand ongemoeid door hun land laten trekken.' KOZAKKENBurnes kreeg rond 1830 toestemming van zijn superieuren om met vier anderen - waaronder zijn trouwe metgezel Mohan Lal - een tocht van Kaboel naar Bokhara ondernemen. De 'voorwaartse'-school had aan invloed gewonnen, want in Londen was men zich bezorgd gaan maken over de Russische opmars in Azie. Langzaam maar zeker rukten de kozakken vanuit Orenburg (Chkalov), ten noorden van de Kaspische zee, zuidwaarts. Na enkele militaire fiasco's wisten zij de ene steppeheerser na de andere tot onderhorigheid aan de tsaar te bewegen. Met dezelfde methodes als waarmee het verzet in de Kaukasus werd gebroken - of in de woorden van generaal Skobelev: ' hoe harder je ze slaat, des te langer blijven ze rustig' - trokken de Russische legers richting Perzie en Pamir. Burnes kreeg de opdracht de strategisch gelegen passen en forten tussen India en Rusland in kaart brengen. Hij moest de sterkte van de garnizoenen schatten, de staat van onderhoud van de vestingwerken registreren, op moreel en bewapening van de bergstammen letten en er achter zien te komen wie met wie geallieerd was. Niemand mocht weten dat hij deze gegevens verzamelde. Burnes schreef een boek over zijn geslaagde onderneming en zou daar later mensen als Lawrence van Arabie mee motiveren, met Her Majesty's welbehagen voor ogen, verre volken in barre gebieden te bezoeken.

Gezien zijn kennis van het gebied was het logisch dat Burnes betrokken werd bij de omverwerping van de Afghaanse vorst Dost Mohammed. Deze had de kant van de Russen gekozen en moest volgens de spelregels van The Great Game door een Britsgezinde monarch vervangen worden. In 1838 nam onder Brits wapengekletter Shah Shujah de Afghaanse troon over. De Britten stationneerden, na een paar steunpunten van Dost Mohammed onder de voet gelopen te hebben, ter ondersteuning van hun marionet een troepenmacht in Kaboel. Zij gedroegen zich als de werkelijke heersers van Afghanistan. Hun - in de ogen van de devote bevolking - goddeloze gedrag zette veel kwaad bloed. Opgezweept door de mollahs breekt deze woede aan de oppervlakte in 1841. Een woedende menigte omsingelt de buitenpost waar Burnes woont. Burnes denkt dat hij de Afghanen kan overreden zich te verspreiden, en verbiedt de bewakingstroepen te schieten. BLOEDERIG TORSOOver zijn dood lezen we in The Great Game: ' Vervuld van afgrijzen, keek vanaf een belendend dak, niet bij machte iets te doen, Mohan Lal toe, wiens waarschuwingen Burnes in de wind had geslagen.'

Grafische beschrijvingen van moord en mutilatie volgen ' Die nacht bereikten geruchten het geschokte garnizoen dat het lijk [van hun commandant] minus zijn hoofd, armen en benen aan een paal bij de bazar hing, terwijl in de stad zijn bloedbevlekte ledematen triomfantelijk van hand tot hand gingen.' Het hoofdstuk over Burnes' dood eindigt met: ' Maar het was nog lang niet afgelopen. Het zou allemaal erger, veel erger worden.'

Ongeveer zestienduizend Indiers en Britten vonden de dood in de eerste Afghaanse Oorlog. Een aantal Britten - mannen en vrouwen - werd nog in gijzeling gehouden. Opstandelingen dreigden hen in Turkestan als slaven te verkopen wanneer de Britten Kaboel weer zouden innemen.

Ja, dat schilderijtje van Burnes zou hij toch wel graag willen hebben, zegt Hopkirk. Als hij nou eens zijn uitgever zou voorstellen dat hij afzag van de royalties over The Great Game..maar, nee, hij heeft twee dochters op een public school en dat kost handen vol geld en ofschoon zijn boeken al in veel talen zijn uitgebracht, kan hij zichzelf nog niet rijk noemen. De boeken van Hopkirk zijn een combinatie van avonturenroman en geschiedenisboek. Aan Foreign devils on the silk road, die de ondertitel 'The search for the lost cities and treasures of Chinese Central Asia' draagt, begon hij nadat hij van The Times opdracht had gekregen iets over een expositie van Chinese kunstschatten te schrijven. ' Ze zeiden dat ik er leuk stuk over moest maken, want archeologie was altijd zo saai.' Het artikel groeide langzaam uit tot een boek over de diverse expedities in de Taklamakan woestijn en het Tien Shan gebergte, dat in 1980 uitkwam. Ofschoon deze expedities alle het predikaat 'wetenschappelijk' claimden, komt toch sterk de associatie met 'plundertochten' op. De beschreven ontdekkingsreizigers lijken allemaal voor Indiana Jones model te hebben gestaan. Trespassers on the roof of the world, 'the race for Lhasa' (1982) tenslotte, is het mooie maar trieste relaas over de knechting van Tibet. En Setting the East ablaze, 'Lenin's dream of an empire in Asia' (1984) gaat over de verrichtingen van het Rode Leger dat in de voetsporen van de kozakken vlak na de oktoberrevolutie het uiteen vallende Tsaristische rijk weer samensmeedde. Dat hij weer een 'spannend boek' heeft geschreven verbaast hem eigenlijk niets. Hopkirk: ' Het materiaal is zo rijk dat een onleesbaar verslag vrijwel onmogelijk is.'

Hij bezocht al in de jaren zestig Samarkand, Bokhara en vele andere steden. Steeds in reisgezelschappen omdat alleen reizen toen onmogelijk was en bronnenonderzoek ondenkbaar. Archieven waren gesloten voor buitenlanders, maar Hopkirk wist voor zijn boeken 'The smell of the place' te registreren. SPANNING De spanning die Hopkirk in zijn boeken weet te brengen, put hij volgens eigen zeggen uit de retorische trukendoos van thrillers en avonturenromans. ' Je moet oppassen een hoofdstuk af te ronden. Dan geef je de lezer het excuus je boek weg te leggen. Ik eindig altijd met een 'cliffhanger' of met een zin die nieuwsgierig maakt naar het volgende hoofdstuk'.

('Maar in werkelijkheid zou het heel anders verlopen'. - hoofdstuk 22 - 'En deze keer zou niemand hem stoppen'. - hoofdstuk 25 -) Hopkirk begint met een groep mensen en ontrafelt dan de plot. Ofschoon hij volgens de regels van de wetenschap te werk gaat, veel research doet - ' Dit boek had drie keer zo dik kunnen zijn' - , zijn bronnen controleert, inconsistenties probeert op te lossen enzovoorts, wil hij zichzelf geen 'academic writer' noemen. ' In mijn boeken staan geen voetnoten. Als ik een dor feit moet presenteren, dan stop ik die in een zin waar ook iets leuks in staat.'

Maar zelfs van vakhistorici heeft hij complimenten gekregen. Tegenwoordig is hij bezig met boek over de Duits-Turkse samenwerking ten tijde van de Eerste Wereldoorlog in Turkije, de Kaukasus en Perzie. Ook in dat boek zal hij aan de hand van spannende verhalen over een aantal onverdroten lieden de lezer een blik achter de schermen van de geschiedenis gunnen. ' In feite was het idee om in het geniep allerlei volken op te zetten tegen de Britten, 'stirring up the natives', van alle tijden. Het was hetzelfde wat T. E. Lawrence deed, en wat bij voorbeeld tussen India en Pakistan of Pakistan en Afghanistan nog steeds gebeurt.'

Past Lawrence niet in een aparte, arabofiele traditie? Reizigers als Michael Asher, Wilfred Thesinger, Charles Doughty, schrijven allen zo niet met respect dan toch met affectie over de Arabieren. ' Britse gezagsdragers hebben altijd 'iets' met Arabieren gehad. Waar het vandaan komt weet ik niet. Gedeeltelijk komt dat misschien toch door India. Britse ambtenaren in India hadden de neiging oorlogszuchtige volken te bewonderen, vooral de islamitische grensvolken. Misschien niet omwille van de religie, maar wel om hun krijgshaftigheid. Het is onderdeel van de romantische traditie geworden.' Hopkirk is door zijn researchwerk even wantrouwig als fantasierijk geworden. De wetenschap dat wat politici in het openbaar zeggen, op geen enkele manier verband hoeft te houden met wat zij in het geheim proberen na te streven, prikkelt onbe-dwingbaar zijn voorstellingsvermogen. ' Mijn scenario voor het Golf-conflict is dat Iran of Israel hun kans zien eens en voor altijd met Irak af te rekenen. Onder dekking van de duisternis zouden ze een raketaanval op de Amerikaanse troepen kunnen ondernemen. De Amerikanen zouden onmiddellijk aannemen dat het een Irakese aanval was en een massale vergelding inzetten. Voor eens en voor altijd van Saddam Hussein afkomen, dat is toch voor een kwade genius een prachtige kans! Hoewel, nu ik er over denk is de kans ook groot dat Iraakse terroristen een aanslag met chemische wapens in de Londense Underground lanceren. U kan daar om lachen, niemand zal in Holland een nucleaire bom tot ontploffing brengen, maar wij zijn kwetsbaar. Er wonen hier duizenden Irakezen. En je weet het nooit, tenslotte gaat The Great Game gewoon door.' 9.5 Van Peter Hopkirk verschenen in vertaling bij Uitgeverij Hollandia: Barbaren langs de zijderoute. Op zoek naar de verloren steden en schatten van Chinees Centraal- Azie (1987, f29,50). Indringers op het dak van de wereld (1988, f32,50).

    • John Murray 1990