Ontsnapt aan verbanning

Minister Braks heeft het guillotinedebat over zijn visserijbeleid in de Tweede Kamer niet meer afgewacht en de eer ('heel nadrukkelijk') aan zichzelf gehouden. Maar wiens eer heeft hij daarmee gered? De eer van zijn partij zeker niet. En die van hemzelf evenmin. Ja, in de ogen van zijn politieke vrienden in de Kamer en van de grote visserijbedrijven, maar die hebben sentimenten respectievelijk belangen laten gelden boven constitutionele overwegingen. En om die laatste ging het in het conflict tussen de Kamer en zijn visserijbeleid.

Had de minister zijn constitutionele plichten in acht genomen (waartoe hij door zijn ambtseed was verplicht), dan was hij in het harnas voor de Kamer verschenen. Waarschijnlijk was hij daar gesneuveld, maar dat zou eerzamer zijn geweest dan de Tweede Kamer door de achterdeur te verlaten om zo zijn ponteneur in veiligheid te brengen. Als Braks zo zeker was van de degelijkheid van zijn beleid als hij heeft beweerd ('Mijn dossier is zeer verdedigbaar, dit scoort internationaal hoog'), dan had hij in de Kamer voor zijn politieke leven moeten vechten tot hij zijn laatste kogel had verbruikt. Een minister die zich maandag nog strijdbaar verheugde op een plenair debat met de Kamer, kan een dag later toch niet al zijn geloof in zijn sterke zaak zijn kwijtgeraakt, louter op grond van een ontmoedigend telefoontje van de PvdA. Maar misschien was Braks' geloof wel kleiner dan hij op zijn persconferenties, waar hij niet door de oppositie gehinderd werd, voorgaf.

Op de keper beschouwd is de afgetreden minister van landbouw en visserij er nog genadig af gekomen. De Kamermeerderheid die hem ten val wilde brengen, heeft hem een vrije aftocht gegund en hem verder met rust gelaten. Zij heeft hem niet lastig gevallen met aanklachten, geen strafvervolging tegen hem ingesteld en hem ook niet de woestijn ingestuurd. Dat had hem allemaal boven het hoofd gehangen als de wetgever destijds op zijn stuk was blijven staan en de markante strafrechtelijke verantwoordelijkheid der ministers een kwart eeuw later niet had ingeruild voor de uitvluchtrijke politieke verantwoordelijkheid.

De Wet op de Ministeriele Verantwoordelijkheid (de eerste versie van 1855) had weinig consideratie met ministers die de wet overtraden of, nog erger, inbreuk maakten op de grondwet. Ze was minder zachtzinnig dan veelal wordt aangenomen en de deskundige handboekschrijvers menen. P. J. Oud, die in zijn tweedelige handboek Het Constitutioneel Recht van het Koninkrijk der Nederlanden niet de moeite heeft genomen de Memories van Toelichting en van Antwoord te citeren, vermeldt de straf van verbanning in het geheel niet. Zo ook het Handboek van het Nederlandse Staatsrecht van Donner en Van der Pot (in de door L. Prakke bewerkte 12de editie). Oud beweert in zijn (verouderde, maar nog altijd door Kamerleden geraadpleegde) handboek dat de regeling die de wet van 1855 van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid gaf, een beperkte strekking had. Maar een strafbepaling die een veroordeelde met een verbanning van ten hoogste tien jaar bedreigt, kan ik moeilijk een beperkte strekking noemen. En bijkomende straffen als de ontzetting uit de burgerlijke rechten en verlies van pensioenaanspraken (door de regering betiteld als 'onterende straffen') evenmin. Bij veroordeeling ingevolge opzettelijke nalatigheid 'verklaart de Hooge Raad den veroordeelde tevens vervallen van ambten, waardigheden en titels, en van zijn aanspraak op pensioen' (art. 30). Uit de Memorie van Antwoord op het wetsontwerp blijkt al evenmin dat de regering een regeling van een beperkte strekking voorstond. Een minister die 'tegen de eer van den staat' had gehandeld, zou 'zijn welverdiende straf niet ontgaan'. De regering paste daarmee het rechtsbeginsel toe 'dat alle handelingen die met misdadige inzigten de veiligheid van den staat aanranden, op de hogere staatsambtenaren strenger dan op anderen kunnen en moeten worden gewroken'. Voorgewende onnozelheid van ministers werd niet getolereerd: 'Iedere verdediging op onbekendheid met deze wet gebouwd, zal als een ijdele uitvlugt worden verworpen'.

Anders gezegd: 'Ontkentenis van wetenschap moet hem niet van straf kunnen bevrijden'.

De strengheid waarvan de wet van 1855 doortrokken was, hield weliswaar niet lang stand en verwaterde na enige jaren, maar de oorspronkelijke regeling van de ministeriele verantwoordelijkheid (het correlatum der koninklijke onschendbaarheid) voorzag toch in straffen tegen ministeriele vergrijpen die nu ondenkbaar zijn (en waarvan de parlementaire oppositie niet eens zou durven dromen). Tot die sancties behoorde de straf van verbanning. Stond voor een niet al te zwaar ministerieel vergrijp tegen de grondwet (niet opzettelijk gepleegd) een verbanning van drie jaar, dan kwam een vergrijp in de categorie-Braks (het achterhouden subsidiair het kleineren van ambtsberichten over de overschrijding van de toegestane vangstquota voor tong en kabeljauw) al gauw voor tien jaar verbanning in aanmerking.

Die sancties zijn helaas nooit toegepast, maar ze hebben jarenlang deel uitgemaakt van de parlementaire wapenrusting in de hoogtij van de liberale parlementaire democratie, in het tweede kwart van de negentiende eeuw. In die tijd werd de Franse minister J. B. Teste wegens frauduleuze handelingen tot drie jaar gevangenisstraf veroordeeld, wat de Nederlandse koning Willem III de vrijheid gaf politici die hij niet mocht 'schobbejakken als Teste' te noemen.

In Nederland heeft niemand die wapens waarover de wetgever beschikte ooit durven gebruiken, maar dat neemt niet weg dat ze eens tot het instrumentarium van de Nederlandse volksvertegenwoordiging behoorden: ministeriele ambtsmisdrijven (van het type 'schennis der grondwet' en 'opzettelijke nalatigheid') werden met langdurige verwijdering uit de samenleving bestraft.

Over de plaats van verbanning liet de wet zich niet uit. Die werd aan de discretie van de rechter overgelaten. Maar dat zou nooit problemen hebben gegeven, want men had aan verbanningsoorden geen gebrek: Langetabbetje, Sint Maarten, Sint Eustatius, Boven-Digoel, in feite heel Oost- en West-Indie. Uit een oogpunt van staatkundige scholing zou het goed zijn geweest als de strenge versie van de wet van 1855 honderd jaar langer was meegegaan. Hoeveel constitutioneel bederf zou er niet zijn voorkomen als we op de televisie af en toe eens een door de Hoge Raad tot verbanning veroordeelde minister onder politiegeleide de Marowijne zagen afzakken?

    • H. A. van Wijnen