Onpartijdigheid in soorten

Twee ruimtes van het Haagse Paleis van Justitie op een willekeurige dag. Op drie hoog zit vice-rechtbankpresident mr. J. S. W. Holtrop in een van de anonieme kamertjes van de labyrintische torenflat. Zijn toga is voorzien van mosgroene borst-en armstukken. Tegenover hem zitten de advocaten mr. H. A. Zanoli en mr. E. J. P. Nolet. De laatste is vergezeld van zijn client, een jongeman met kort krulhaar. De client van Zanoli laat verstek gaan. Aan de orde is een kort geding over een dakterras behorend bij het appartement van de jongeman.

In de ruime zaal E, een etage lager, houdt politierechter mevrouw mr. A. N. Braunius-Kennema zitting. Aan haar trekt een bonte stoet kleine wetsovertreders voorbij. Op het verdachtenbankje verschijnt een off shore-arbeider die ervan wordt verdacht gerechtelijke bescheiden vernietigd te hebben, er verschijnt een glazenwasser die volgens de telastelegging veertien dames- en twee herenslips heeft gestolen bij de Hema en na hem twee toffe Haagse jongens die volgens de officier verzekeringsfraude hebben gepleegd door een auto-ongeluk in scene te zetten.

In beide zalen wordt rechterlijke arbeid verricht, maar daar houdt de vergelijking wel op. In de civiele procedure bij Holtrop staan twee burgers tegenover elkaar. De rechter treedt op als onpartijdige oordelaar om uit te maken wat recht is tussen beiden. De client van Zanoli wil een berging afbreken, omdat het dak van die berging als terras in gebruik is bij de client van Nolet. Deze verzet zich tegen de voorgenomen sloop, ook al omdat het appartement te koop staat. Zonder dakterras is de woning minder waard.

Bij de strafzitting staat telkens een burger tegenover een abstractie: de Nederlandse samenleving, vlees geworden in part-time officier van justitie mevrouw mr. M. Schelfhout-ter Hart. Ook hier moet de onpartijdige rechter zeggen wat recht is tussen beide partijen. Maar met die onpartijdigheid in de strafzitting is iets raars aan de hand. Rechter Braunius begint haar onderzoek naar de feiten telkens met de veelbetekenende vaststelling: ' Nou, dat klopt wel, he, wat de officier zegt.'

Dat de verdachten in alle gevallen bekennen doet er niet toe. Door niet eens de vraag te stellen of het telastegelegde klopt, ontbreekt zelfs de schijn van onpartijdigheid in het optreden van Braunius.

Ja, zegt de off-shore arbeider, hij heeft de stukken van een rechtszaak waarin hij moest verschijnen als verdachte vernietigd. Hij mocht die stukken inzien op de rechtbank maar heeft ze mee naar huis genomen en verbrand. Zo wilde hij verhinderen dat hij moest voorkomen op een tijdstip dat hij op het produktieplatform op de Noordzee aan het werk was.' Waarom moest u voorkomen?' wil Braunius weten.' Ik was een politiebureau binnengegaan en daar had ik een rechercheur een klap gegeven.' Braunius trekt de wenkbrauwen op. ' Waarom deed u dat?' ' Ik had wat gedronken en ik dacht dat ik in een cafe was toen die man vervelend werd.' ' Maar er stond toch in duidelijke letters op het gebouw dat het een politiebureau was, ' zegt Braunius ongelovig.' Ik ga wel vaker een cafe binnen zonder dat ik eerst de naam lees.' Het is opvallend dat de off-shore arbeider zich niet laat verdedigen door een advocaat. Dat doet trouwens bijna geen van de verdachten voor de politierechter. In hun eentje staan ze tegenover het machtige justitiele apparaat. De glazenwasser heeft voor 86,35 gulden aan onderbroeken gestolen. ' Diefstal blijft diefstal, ' vindt officier Schelfhout en ze eist een boete van 750 gulden of 15 dagen gevangenisstraf en twee weken voorwaardelijk. Dat is een onwaarschijnlijk zware eis voor zo'n gering vergrijp en voor iemand die acht jaar geleden voor het laatst met justitie in aanraking kwam. Die bovendien slechts zo'n vierhonderd gulden per week zegt te verdienen. De glazenwasser reageert gelijkmoedig op de eis. ' Ik vind het wel mooi, ' zegt hij in zijn laatste woord.' Wel mooi?' echoot Braunius.' Terecht. Laat ik het zo zeggen.' En hoewel Braunius de man geen verklaring voor zijn daad heeft kunnen ontlokken, legt ze een boete op van 750 gulden.

Het koppel Haagse jongens, Francois en Pietro, hoort de officier vier weken onvoorwaardelijk eisen wegens valsheid in geschrifte. De officier spreekt over 'een ernstige vorm van misbruik'. Gevraagd om een reactie door Braunius zegt Francois: ' Wat moet ik vinden? had een geldboete verwacht. Maar als zij zegt dat het zo erg is, zal het wel zo zijn.' ' Ja, ' beaamt Pietro, ' Ik kan er moeilijk tegenin gaan. Er zit niets anders op.'

De rechter bedenkt zelf een verzachtende omstandigheid: omdat een van de beide verdachten werk heeft als loodgieter, legt zij geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op. Het vonnis luidt in beide gevallen vier weken voorwaardelijk en duizend gulden boete.

Boven, bij het kort geding van Holtrop, zijn de krachten gelijker verdeeld. De advocaat van de eigenaar van de benedenwoning legt uit dat zijn client hinder ondervindt van het dakterras en dat dit terras zonder zijn instemming op het dak van zijn berging is gemaakt. Bovendien wil hij een serre verbreden en ook daarom moet het dakterras wijken. Zijn confrere van de tegenpartij weerspreekt hem voor een deel, vindt dat er sprake is van een patstelling. De eigenaar van de benedenwoning wil de berging slopen maar die is gemeenschappelijk bezit van de vereniging van eigenaren. Hij heeft dus toestemming nodig van de dakterrasbezitter. En dat dakterras zou half aangelegd zijn door de vorige eigenaar, half door de huidige. ' Er is daar iets ontstaan, iets dat door de vorige eigenaar niet is afgemaakt.' Er verschijnen foto's en tekeningen ter tafel. De partijen buigen zich erover, terwijl zij doorgaan argumenten af te vuren op de vice-president. ' Misschien moeten we over deze zaken praten, ' zegt mr. Nolet op een zeker moment, ' Wellicht valt er tot een regeling te komen.' Holtrop is cynisch: ' In het zakenrecht verdelen we niet zo vaak dingen op grond van leuke afspraakjes, dat weet u ook wel.'

De rechter is in het kort geding een voor de procespartijen onberekenbare kracht, die volgens zijn eigen smaak rechtsregels toepast. Midden in het geding zegt Holtrop tegen Nolet: ' Maar om welk recht gaat het eigenlijk? Het feit dat uw client dat dak al een aantal jaren als terras gebruikt, geeft nog geen recht. Op grond van welk recht heeft u dat dak gebruikt, ' vraagt hij nu aan de jongeman. Deze weet daarop geen antwoord. Het terras was er al en de benedenbuurman zou buitengewoon onheus te werk zijn gegaan met zijn sloopplannen.' Op grond van schending van fatsoensnormen kunt u geen vordering instellen, ' coupeert Holtrop het betoog, ' Er moet ergens een recht zijn. Het enkele gebruik geeft geen recht. Ik denk dat ik u dat in dit stadium als mijn voorlopige mening moet geven.' Bij de politierechter is de officier degene die het recept uitschrijft waarna de rechter alleen nog maar de dosis bepaalt. De off-shore arbeider die gerechtelijke dossiers verbrandde heeft zich volgens officier Schelfhout schuldig gemaakt aan een ernstig feit waarvan het doel was verdere strafvervolging te voorkomen. Voor de klap in het politiebureau werd de man vorig jaar veroordeeld tot een maand gevangenisstraf. Voor het vernietigen van het dossier eist de officier dezelfde straf die de man met zijn daad wilde voorkomen. Braunius veroordeelt de man conform de eis.

    • Frank Vermeulen
    • de Rechtszaak