NATIE 2

Luns begeeft zich te voet naar de Ridderzaal, hij oogst een applaus dat met hem mee golft door de rijen belangstellenden; hij geniet. Duisenberg loopt ook naar de Ridderzaal. ' Da's die kop van de televisie', zegt de mevrouw die voor mij staat. Maar niemand klapt voor hem. Dit is de dag van de mythen van de macht, de dag waarop de parlementaire democratie mythisch gestalte krijgt. Veel volk op de been, hier en daar een drom. Ik had het kunnen weten. Mythen voorzien in een behoefte. Ik wandel het Lange Voorhout op, dat ook onder een sombere herfsthemel wel zo ongeveer het mooiste plein van Europa is. Uit luidsprekers verwaait de stem van Beatrix in het al vergelend gebladerte. Niemand luistert, zo te zien; hier op straat is de Troonrede vooral een pauze in de optocht. Ze is bezig aan een lange opsomming van beleidsvoornemens, de overproduktie van beleid is nog niet tot staan gebracht.

Structuurschema. Adviescommissie. Nota. Ze spreekt de woorden zonder geestdrift uit, ze leest ze op. De politiek ontleent haar kracht aan de mythen die ze van zichzelf schept; het beeld dat de regering bij monde van de Koningin van zichzelf schept is dat van een tobbend gezelschap, vlijtig maar zonder geloof in zichzelf. Je zou willen dat de vorstin een royale geste ten beste gaf, een globale state of the nation, een analyse van de stand van zaken in de natie, een glimp van perspectief op de toekomst, maar de auteurs van haar tekst hebben die zelf niet in voorraad. Termen als 'onderklasse', 'tweedeling', 'zorgzame samenleving', 'sociale vernieuwing' en 'normvervaging' zouden uit haar mond zoveel overtuigender klinken dan uit die van individuele ministers. Als ik weer doorstap heeft ze het over de 'handhaafbaarheid'. Op het Binnenhof loop ik een aide-de-camp van minister Braks tegen het lijf, in een winning mood. Gerrit heeft het 'm weer gelapt. Maar als ik twee dagen later terugkeer op het Binnenhof heeft Gerrit inmiddels zijn ontslag al gevraagd aan de 'Koniggin' (zoals hij telkens zegt) en het gekregen 'onder dankzegging voor de vele en gewichtige diensten door hem aan Haar en het Koninkrijk bewezen'. Verbitterd en verbeten heeft hij zich tegenover de pers geschetst als slachtoffer van de drang tot lijfs- en zetelbehoud der Partij van de Arbeid. Het beeld dat de politiek van zichzelf schept wordt er niet onbaatzuchtiger op.

Het is een dag van nakaarten in de Tweede Kamer. Terwijl specialisten andere voorbeelden van nationale 'verfloddering' bespreken - onverhoeds verhoogde boetes voor zwartrijden, een ex-ambtenaar van WVC die in asielzoekers handelt - loopt de zittingzaal vol voor de hoofdfilm. Op menig tafeltje ligt Elsevier, voorop Braks, het hoofd gebogen, en binnenin de bekentenis van voor zijn aftreden (maandag na middernacht, Des Indes), dat hij in het diepst van zijn gedachten wel eens 'dictator' zou willen zijn - hij zit dezer dagen immers in de puree omdat hij de democratie juist zo gerespecteerd heeft en zegt u nu zelf: is die soms zo efficient? Op de perstribune wordt gemeld dat Lubbers zopas, komende uit het machtscentrum Brussel, de grens is gepasseerd, per auto. Zal hij de maximumsnelheid overschrijden? Drie kwartier later stapt hij binnen. We beleven de slotacte van een drama, waarvan we de ontknoping al meemaakten; nu de moraal nog. Ria Beckers, op die platte schoenen en met het verantwoorde mantelpak aan een beetje de akela van het parlement, weet er wel raad mee. Ze herinnert eraan, dat de premier zijn eerste rede over de verloedering van onze samenleving drie jaar geleden hield, kort voor het eerste grote visserijdebat; nu, kort voor het tweede, heeft hij het thema nader uitgewerkt. Toen en nu heeft Braks er 'dankbaar gebruik' van gemaakt. ' Maar het blijft vreemd', zegt zij met die kwetsbare stem, ' dat uitgerekend CDA-leiders zo slecht beseffen hoezeer verhalen over een zieke samenleving terugslaan op de politiek. De politiek zou pas echt ziek zijn als wij de Minister-President en het CDA nu zouden volgen.'

Is dat zo? Als Braks had mogen blijven was inderdaad het populaire beeld bevestigd dat ministers ook maar zakkenvullers en zetelklevers zijn - maar moest hij daarom weg? Lubbers zit er wat mismoedig bij, de linkerhand aan de baardschaduw, alsof zijn hoogmoed nu echt voor de val gekomen is. Maar dan veert hij op voor zijn repliek, hij gaat er echt voor staan en groeit in zijn rol van kroonverdediger. Hij vloert Bolkestein die zich vergaloppeert met het recept van haute vulgarisation dat hij zichzelf onlangs in HP/De Tijd voorschreef; hij gispt vilein het farizeisme van Woltgens die voorgeeft dat hij Braks nog wel een kansje had gegund - terwijl diens aide-de-camp in de wandelgangen aan wie het maar horen wil onthult hoe de PvdA-leider de minister de vorige dag tot tweemaal toe verzekerde dat een plenair debat voor hem 'geen zin meer' had. Hij lanceert opnieuw het jezuitische begrip 'inspanningsverplichting' - het is niet nodig te slagen om toch je best gedaan te hebben - maar vooral weet hij de indruk te wekken dat tegen de minister geen eerlijk proces gevoerd is. Wat was bewezen, wat was gerucht? Waarvan precies droeg hij een verwijtbaar medeweten met zich om? Braks moest weg omdat het parlement vond dat hij weg moest. So far so good. Maar de burger verlaat het Binnenhof met een onbestemd gevoel: zegevierde hier democratie of particratie, gerechtigheid of populisme? De mythen van de macht vervagen in de schemering van de vroege herfstavond, het wordt al koud.

    • John Jansen van Galen