Hollands Dagboek

Nico Laterveer, geboren 31 december 1933, neemt eind deze maand afscheid als hoofd voorlichting van de Haagse Gemeentepolitie, een functie die hij sinds 1971 heeft vervuld. Voor die tijd was hij ruim tien jaar werkzaam op het Bureau Pers en Voorlichting van de Leidse Universiteit.

Hij is gehuwd met Eva Kroeze.

Woensdag 12 september Als ik om even over negen op mijn bureau arriveer grijp ik direct naar deze krant. Ja hoor, Bouterse en Croes betrokken bij drugs, staat er op de voorpagina. Herman, chef verdovende middelen, heeft gisteren de publicatie over het z.g. Copa-team al aangekondigd. De journalist moet inzage hebben gehad in een proces verbaal. Die dingen gebeuren, maar ik word woedend als uit het artikel blijkt dat het O. M. (Openbaar Ministerie) in Amsterdam het bestaan van een informant bevestigt. Ik zoek Herman op, maar die ligt in bed; hij is tot vijf uur vannacht bezig geweest. Om tien uur moet ik even met Jelle, de secretaris van de korpschef, en Veronique, de hostess van mijn bureau, de gang van zaken op mijn eigen afscheidsreceptie doornemen. Ik vind alles best, maar liever geen toespraken en er moet - zij het met mate - gerookt kunnen worden.

Vlak voor de lunch verschijnt Herman. Hij is zo mogelijk nog woedender op het O. M. dan ik, maar bij hem zakt het sneller, denk ik. Je moet kunnen relativeren (in het korps ook wel relaterveren genoemd) maar als je in mijn vak jarenlang niet zelden justitieel onbegrip en een door een hautaine houding gecamoufleerde onbekwaamheid waarneemt... nee, ik heb echt de pest in. En maar richtlijnen vaststellen jongens, daar zijn we goed in. Nou, de vrije nieuwsgaring verdraagt geen richtlijnen, dat heeft de redacteur van deze krant gisteren overduidelijk gemaakt. Enfin.

Om twee uur wil Elaine van het ANP mij interviewen in de Posthoorn, maar bij het wegrijden boort de trekhaak van een achteruitrijdende dienstauto zich eerst nog even in mijn kunststof bumpertje. En ik toeterde nog zo, verdorie. De schade wordt snel opgenomen zodat ik nog op tijd in de Posthoorn ben.

Elaine begint over de ministeriele richtlijnen t.z.v. persvoorlichting door de politie en de justitie. Ik vind dat op zich die richtlijnen voor een groot deel aansluiten bij de dagelijkse praktijk, maar de toonzetting van het stuk bevalt mij niet. Met name de nadrukkelijke vaststelling van de verantwoordelijkheid van het O. M. voor alle voorlichting in strafzaken gaat te ver, nog afgezien van de manco's in de organisatie daar. Ik zeg er bovendien bij, dat ik vind dat het O. M. in Amsterdam zich in de Copa-zaak niet aan de richtlijnen gehouden heeft. Eigenlijk is dat een afwijking van mijn gebruikelijke opstelling, je moet niet via de media met het bevoegd gezag discussieren, maar gelet op de achtergronden die Herman mij heeft verteld acht ik het dit keer gepast. Na Elaine op naar een andere charmante dame, Toos Faber, voor wie een afscheidsreceptie wordt gegeven in het personeelsrestaurant van Justitie. Wij worden, in volgorde van aankomst, opgedeeld in peletons. Ik dien mij te scharen in het D-peleton, dat nog wel even de tijd heeft voor het in actie kan komen. Gelukkig kan ik de tijd doden met Henk Lokkenbol, oud-directeur van het ANP en Jan Huygens, voorlichter bij VROM, die op zijn eigen, kwikzilverachtige manier commentaar levert op omstandigheden en personen.

Om vijf uur sta ik weer buiten en besluit direct naar huis te gaan in plaats van met enkele bekenden nog iets te drinken in Nieuwspoort.

Vlakbij huis kom ik Eva tegen met Max, onze Sint Bernhard. Besmuikt glimlachend verneemt ze het verhaal van de auto-schade.

Toch een vreemde zaak, zo'n dagboek.

Donderdag 13 september

Dini meldt bij binnenkomst dat mijn naam op Radio West is genoemd in verband met kritiek op het O. M. Dat moet het verhaal van Elaine zijn. Na een blik in de ochtendbladen vertrek ik opnieuw naar de Posthoorn, nu voor een gesprek met Coos Versteeg van de Haagsche Courant. Coos is indertijd begonnen als politieverslaggever, maar doet al jaren kunst en cultuur. Het is lekker weer, en wij gaan buiten op het terras zitten. Coos neemt er de tijd voor, wij hebben beiden onze herinneringen aan de gijzelingen in de Franse Ambassade en de Scheveningse gevangenis, maar nu, in mijn kamertje onder de bureaulamp die van Cees Peijster is geweest, bespringen mij andere herinneringen. Daar was die zondagmorgen, ik zat op een bankje op het vredige Voorhout, goudgeel van de afgevallen bladeren. De toestand in de Franse Ambassade was stabiel, zou je kunnen zeggen; nieuws was er niet en van het koortsachtige overleg in de crisis-centra was hier niets te merken. Toen was daar de vader van een van de gegijzelde meisjes, samen met een neef. Hij kwam naar mij toe, zei ' Dag meneer Laterveer, ' stelde zijn neef voor en vroeg of hij er bij kon gaan zitten. Natuurlijk. Er viel een stilzwijgen, wij keken naar de bladeren in dat zonnige, prachtige herfstlicht, zoekend naar woorden, en dan, opeens, keerde die vader zich naar mij toe en zei, ' Meneer Laterveer, ik weet dat het een vreemde vraag is, maar... kunt u mij vertellen hoe het met mijn dochter is?'. Ik keek hem aan en zag hem huilen, zonder geluid, wat zijn angst voor mij nog duidelijker maakte. Ik wilde wel weg, door de grond, onder die bladeren, mijn keel was dichtgesnoerd maar ik moest wat, ik moest hem hoop geven. Of ik daar toen in geslaagd ben weet ik niet, maar - meegezogen door de turbulente ontwikkelingen, besefte ik eerst toen goed het misdadige karakter van die Japanners. Pas op dat moment werd de ellende van anderen voor mij invoelbaar en begon de glamour van de internationale belangstelling een andere betekenis te krijgen.

Coos en ik kletsen tot half een. Terug op mijn bureau vind ik het concept van een brochure die Marnix heeft geschreven over de aanpak van overlast tijdens de jaarwisseling. Ik heb beloofd ernaar te kijken, dat moet dan vanmiddag maar. Er komt niets van terecht, er zijn telefoontjes, o.a. van een journaliste van Trouw die mij, ook al over de richtlijnen, een paar vragen wil stellen. Ik vraag nu toch aan het ANP mij het verhaal van Elaine te faxen. Na lezing blijkt dat ik, zoals gewoonlijk, juist ben geciteerd.

Het concept van Marnix gaat mee naar huis. Onderweg merk ik dat Eurolood nu al fl.1,86 kost, goeiendag. Nou ja, als dat het enige is wat we van de Golfcrisis merken hebben we niet te klagen.

Thuis loop ik eerst een uur met Max door het bos en daarna hark ik het grasveld schoon want Eva heeft gemaaid.

Dan belt Michael op, onze zoon die zijn dienstplicht vervuld als sergeant bij een duikerspeleton van de Genie. De oefening is eerder afgelopen, zodat hij vanavond toch de verjaardag van zijn Manon kan vieren. Wij pikken hem op bij het station in Leiden en verrassen Manon. Die heeft een eerste reactie ontvangen op het onderzoeksvoorstel dat zij en Michael bij de WOTRO hebben ingediend. Als afgestudeerde marien-biologen willen ze terug naar Sulawesi, waar ze beiden hun doctoraalonderzoek hebben gedaan. Een subcommissie is nogal kritisch over hun voorgestelde onderzoek, maar hun referent, prof. Nienhuis van het Delta-instituut, is positiever. Afwachten maar.

Terzijde: Michael, met twee puntjes op de e, wordt uitgesproken als mi-cha-el. Dus niet op z'n Engels, Maikel, of het Franse Michel, laat staan het werkelijk stuitende Maik. Is dat begrepen?

Vrijdag 14 september

Voor de laatste maal woon ik het Diensthoofdenoverleg bij, overigens zonder Jan Brand, want die is nog met vakantie. Zijn afwezigheid versterkt het gevoel dat het allemaal niet meer nodig is.'s Middags opnieuw een interview, nu met Willem Goudriaan van het Binnenhof. Fotograaf Milan Konvalinka deelt terloops mee dat in de Haagsche Courant een foto staat, waarop ik Toos Faber hartelijk omstrengel. Dat blijkt mee te vallen, wij geven elkaar een hand, terwijl ik met getuit bekje klaar sta voor de obligate kus. Aan het eind van de middag gaan Bernardine en ik nog even naar het Proeflokaal, een ouderwets gezellige bruine kroeg in de Oude Molstraat. Eenmaal aan de pils gaat de pieper van Bernardine, ze heeft dit weekeinde perspiket. Het is Sander, de inspecteur voorlichting, die nog op het bureau is gebeld door een gepikeerde mr. De Wit van het O. M. in Amsterdam. Hij belt maandag terug. Prima, ik hoop op een redelijke gedachtenwisseling.

Chris Bruinius van Trouw drinkt met ons mee. Als hij hoort dat ik een dagboek moet schrijven attendeert hij mij op een uitspraak van minister Andriessen in Vrij Nederland. Hij had ooit de wens ook het Hollands Dagboek te schrijven, maar dat verlangen is minder geworden nu er zo veel vreemde vogels worden gevraagd. Zo zo, thuis even VN opzoeken.

Eva gaat na Brandpunt naar bed. Ik kijk nog even naar 'Lekker weg in eigen land', want ik vind de presentatie van de heer M. A. M. Kappers kostelijk.

Nog even in de VN gekeken. Ja hoor, de heer Andriessen spreekt inderdaad van vreemd volk. Wat zou hij nu precies bedoelen? Ik lees het hele Bibeb-interview en krijg eigenlijk geen indruk van die man. Misschien komt hij tot die uitspraak omdat hem het vermogen tot verwonderen is ontglipt. Ik wil niet met hem ruilen.

Zaterdag 15 september

Nu Eva zelf de kamer heeft behangen willen we ook een paar nieuwe lampekappen. Dat lijkt triviaal, zo'n mededeling in een quality paper, maar het valt niet mee om er aan te komen, vandaar. Wij zijn modern denkende mensen, gerust hoor, maar die strakke halogeenlampen, nee. Mijn vriend Werner heeft laatst alles vernieuwd, behang, gordijnen, verlichting, maar toen ik na die ingreep bij hem binnentrad en hij vol verwachting vroeg wat ik ervan vond heb ik gemompeld: ' Wilt u nog afscheid nemen van de overledene?'.

Kortom, als algemeen behoudend kunstgevoelige die zich geen knollen voor citroenen laat verkopen wil ik thuis de gewone burgerlijke gezelligheid, waarvan de ouderwetse lampekap een noodzakelijke component is.

Zodoende sjokten wij met twee lampvoeten in een plastic zak door het winkelcentrum Leidschenhage, al op weg naar huis, toen wij de Perzische tapijtenhandel passeerden en ja hoor, na anderhalf jaar hing hij er nog steeds, die prachtige maar onbetaalbare Tabriz, vol ongelofelijke kleuren en motieven. De man binnen zag ons staan, vervuld van begeerte en begreep het onmiddellijk. ' Ach mevrouw, dat is zo mooi, ja, kom binnen, dan kijken beter en dan wij spreken met eigenaar over bodemprijs, ja?' Kort en goed, bodemprijs of niet, de korting was niet onaanzienlijk. Zo komt het dat wij nu, op zaterdagavond, telkens op de knieen gaan om ons iedere keer opnieuw te verbazen over de ambachtelijke kunst uit Noord-Perzie.

De lampekappen moeten maar even wachten en nog een paar andere dingen ook. En bekenden die dit lezen waarschuw ik al vast: kom niet aan met die kruidenierskreet: ' Zo'n kleed heb je voor je leven'. Intussen zijn wij niet vergeten kranten te kopen, In de Haagsche staat het verhaal van Coos over mij. ' Wat een rotfoto, ' roept Eva spontaan, maar het verhaal vindt ze goed.

Zondag 16 september

Uitslapen, lezen, een beetje schrijven, zomaar wat aanklooien, terwijl Eva in de tuin scharrelt, Max een borstelbeurt geeft wat trouwens een heel karwei is, en de houtvoorraad bij de achterdeur aanvult. Pas laat in de middag schiet mij te binnen dat ik het stuk van Marnix nog moet lezen. Dan rinkelt de telefoon, het is Adriana, Michael's juffie, want bij haar heeft hij de eerste wankele schreden gezet in de Rudolf Steiner kleuterschool. Afgezien van de laatste jaren heeft zij steeds contact gehouden. Ze leest ook de Haagsche Courant, vandaar. Ontzettend leuk dat ze belt. Eva hangt bijna een uur aan de telefoon met haar. Op de oprichtingsvergadering van de kleuterschool, zo'n 23 jaar geleden, ging het er om voldoende leerlingen te krijgen. Er was toen een wat pinnige, kennelijk christelijke mevrouw die indringend vroeg of er gebeden werd. Adriana zei toen heel stellig en tegelijkertijd heel lief: ' Wij zeggen altijd een spreukje'. Sindsdien hebben wij een zwak voor haar; antroposofen zijn wij echter niet geworden.

Maandag 17 september

Ik ga maar weer door met opruimen en verbaas mij over de hoeveelheid nota's, rapporten en andere stukken die wij met z'n allen produceren. Er tussendoor vraag ik aan Leo hoe het staat met de verwerking van de aangevraagde perskaarten voor morgen, Prinsjesdag. Wij zijn bij, ook al komt zo langzamerhand de helft van de aanvragen veel te laat binnen. 's Middags komt Jos Heijmans, journalist bij de GPD, in zijn hoedanigheid van redacteur van Lokatel t.v., de Haagse lokale omroep. Hij wil een programma maken waarin ik op relevante plaatsen in de stad herinneringen ophaal aan enkele spectaculaire gebeurtenissen. Ik twijfel een beetje, maar al pratend en in ouwe mappen neuzend word ik enthousiaster. Wij maken een voorlopige afspraak.

Als ik aan het eind van de middag naar huis ga heeft mr. De Wit van het O. M. in Amsterdam niet gebeld. Ik neem mij voor hem woensdag of donderdag terug te bellen, want morgen komt daar niets van. Ik hoop dat 'mijn' laatste Prinsjesdag goed verloopt, dat is zo'n beetje het enige waar ik me nog zorgen over maak.

Na het 8-uur journaal gaat Eva naar een kennis. Na Aad van den Heuvel ga ik achter de piano. Nog later zet ik een CD op met Tschaikovsky's rococo variaties voor cello en orkest. Ik zou graag in woorden willen weergeven, wat ik hoor en onderga, maar dat kan niet, althans, ik kan het niet. En Van het Reve heeft dat zo prachtig verwoord, schiet me te binnen. Ik zoek en vind: ' De salon verkeerde in schemering maar ik stak nog geen lampen aan. Er waren dingen, die je nooit aan iemand kon zeggen of vragen, hoe veel je ook van hem hield'.

Het is uit Veertien etsen van Frans Lodewijk Pannekoek voor arbeiders verklaard, als uw belangstelling gewekt zoude zijn.

Dinsdag 18 september Ja, het is allemaal goed gegaan, dank u. Het regende een beetje maar niet zo erg als vorig jaar, en de koningin droeg, meen ik, een groene robe. Toen de balkondeuren zich weer achter de koninklijke familie sloten gingen Bernardine, Frans, Sander en ik bij de Rijksvoorlichtingsdienst nog een broodje eten en wat drinken. Een paar uur later gaan Bernardine en ik naar de AVRO-bijeenkomst in het restaurant van de Tweede Kamer, maar die bijeenkomst verliest jaar op jaar aan aantrekkelijkheid. Ondanks de aanwezigheid van Monique van de Ven, die mij een heel aardige vrouw lijkt, zonder kapsones of zo, maar wel mooi natuurlijk, besluiten wij na een enkel glas jus de wijk te nemen, Ber naar huis en ik naar Nieuwspoort.

Het is daar druk en gezellig, en na een paar uur zit ik opeens met acht anderen te eten aan een tafel, waar ternauwernood plaats is voor zes. Nico van Dijk is er bij en Jan van Groesen en Willem Franssen en Nel Ginjaar-Maas, en Jan Bollema... Ik constateer, politiek gesproken, dat wij hier bijeen zijn met ordinaire zakkenvullers, christenhonden en rooie rakkers, maar dat is na de wijn waarmee Jan van Groesen een dronk op mij heeft uitgebracht. Geweldig, geweldig, ik ben helemaal door het dolle, maar niet zover dat ik Eva's verzoek vergeet, dus na het eten alleen nog maar koffie.

Ja, eigenlijk is het nu al afgelopen. Er zijn nog wat afspraken voor interviews, vrijdag is er een afscheidslunch met de commissarissen en een week later volgt dan de afscheidsreceptie. En dat is dan het definitieve einde van een ambtelijke loopbaan, die in Leiden is begonnen. Leiden... ik denk dat mijn besluit er mee op te houden juist is, maar waarom schieten mij nu zo maar die regels van Piet Paaltjens te binnen: ' Hoor ik op Sempre een waldhoorn, of ook wel een turkse trom, dan moet ik zo bitter wenen, en ik weet zelf niet waarom.'

    • Nico Laterveer