HET DUITSE ONBEGRIP VOOR NEDERLAND

Het was zeker geen aanhankelijkheid aan zijn grootmoeder, die een van de Neder landse supporters bij de wedstrijd Bondsrepubliek Duitsland-Nederland tijdens het Europese kampioenschap voetbal in 1988 ingaf om via een spandoek het terugvinden van oma's, in de oorlogsjaren verdwenen fiets wereldkundig te maken. Het was een van die opflakkeringen van anti-Duits sentiment waaraan de naoorlogse Nederlands-Duitse betrekkingen zo rijk zijn. De Tweede Wereldoorlog is in Nederland een veel gebruikt referentiekader om aan mentale en psychologisch onvrede over de oosterbuur als staat en individu lucht te geven. De veranderingen in Oost- en Midden-Europa hebben voedsel gegeven aan nieuwe uitingen van angst voor verenigd Duitsland als grote mogendheid in Europa en angst voor Duitse hegemonie, ook nu het land sinds begin jaren vijftig ingebed is in de Europese Gemeenschap en geen moment te kennen heeft gegeven de banden daarmee te willen slaken.

Temidden van de emotionele en actuele debatten over de plaats van Duitsland in Europa en de rol die Nederland daarbij zou kunnen en moeten spelen, is enige distantie en kennis van het verleden omtrent de Nederlands-Duitse relatie niet overbodig. Zwei ungleiche Nachbarn kan daarbij goed dienst doen. Een enkele lezer moet misschien een kleine drempel over, maar hem zij tot troost dat de auteur in de jaren zeventig als hoogleraar eigentijdse geschiedenis aan de Vrije Universiteit was verbonden en sinds vorig jaar directeur is van het Institut fur Niederlande-Studien in Munster.

Zwei ungleiche Nachbarn is geschreven voor een Duits lezerspubliek, maar heeft ook het Nederlandse publiek veel te bieden. Het bedoelt immers inzicht te geven in de manier waarop de beide volken en staten over elkaar dachten, met elkaar omgingen, elkaar in de gaten hielden en van elkaar afhankelijk waren.

Studies van deze aard over bilaterale betrekkingen van Nederland met de grote mogendheden zijn uiterst schaars. Ja, eigenlijk zijn zij in de laatste decennia niet meer geschreven. Ondanks de sterke multilateralisering van het internationale verkeer is er een behoefte aan zulke studies omdat het door historische ervaring en beleving gevestigde beeld van de andere deelnemers aan de internationale politiek een factor van betekenis blijft.

Wie zo'n studie wil ondernemen, wordt geconfronteerd met een aantal problemen, waarvan de vraag welke onderwerpen te behandelen niet de minste is. Lademacher heeft in dit opzicht een pragmatische keuze gemaakt door vooral te varen op beschikbare studies, aangevuld met eigen onderzoek. Het resultaat is geen encyclopedisch overzicht van de Nederlands-Duitse betrekkingen. Lademacher concentreert zich op de periode 1850-1955. In het geheel van de betrekkingen kan men een aantal fasen onderscheiden: de periode tot de oprichting van het Duitse Keizerrijk in 1871; het tijdvak van de Duitse industriele en politieke expansie tot het einde van de Eerste Wereldoorlog; het interbellum; de Duitse bezetting van Nederland en de naoorlogse periode. Bij de beschrijving van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw ruimt Lademacher plaats in voor de perceptie van het buurland, maar dit tintelende element onvolkomen en niet maatgevend noemt Lademacher het terecht vindt met de beschouwingen van Huizinga uit 1929 over de Duitse invloed op de Nederlandse cultuur een te vroeg einde.

Een uiteenzetting over het naoorlogse Duitslandbeeld, waarover de Duitse bezetting een lange schaduw wierp, zou de aansluiting met de actualiteit van de jaren tachtig tot stand hebben kunnen brengen. Nu blijft de aandacht in Nederland voor de ontwikkeling van West-Duitsland als democratische samenleving, voor het Duitse Wirtschaftswunder, voor de Rote Armee Fraktion en de Berufsverbote, voor het oplevende neo-nazisme en voor de behandeling van de drie oorlogsmisdadigers van Breda jammer genoeg onbesproken. Omgekeerd zou het Duitse Nederlandbeeld met onder meer het Duitse onvermogen tot begrijpen van de diepe wonden die de bezetting in Nederland heeft geslagen en de behoefte aan snelle terugkeer tot normale verhoudingen met de buurstaat aan de Rijnmonding dan voor het voetlicht zijn getreden.

Ondanks dit gemis aan ruime aandacht voor de ontwikkelingen van de betrekkingen en visies na 1955 is Ungleiche Nachbarn een goed hulpmiddel bij het verwerven van inzicht in de aard van de Nederlands-Duitse relatie. In feite gaat het om een drietal hoofdstromen. De voornaamste betreft het verschil in internationale machtspositie. De kleine Westeuropese mogendheid Nederland is het buurland van de Middeneuropese grote mogendheid Duitsland (tot 1870 Pruisen). Onmiskenbaar heeft de ligging van groot naast klein de relatie in staatkundig opzicht bepaald. In de decennia na de Belgische afscheiding leefde in Nederland de gedachte dat het gereduceerde koninkrijk in Europa niet langer levensvatbaar was. Aansluiting bij Pruisen leek het meest probate middel om die onverkwikkelijke situatie te beeindigen. Nadat Nederland deze crisis over het zelfstandig bestaan te boven was gekomen, ontstond in het Duitse keizerrijk na 1870 een aanwassende stroming, die incorporatie van het Nederduitse, stamverwante Nederland nastreefde als een natuurlijke afronding van het staatvormingsproces. Natuurlijk kon orientatie op Duitsland in economisch en cultureel opzicht niet worden ontkend, maar Lademacher wijst er terecht op dat het verschil in staatkundige traditie tussen de twee staten fundamenteel was. Voorstanders van aansluiting konden dan ook bogen op een grote kennis van de Nederlandse politieke cultuur en traditie.

Tegenover het sterk in macht toenemende Duitsland kon Nederland zich alleen als onafhankelijke en zelfstandige mogendheid handhaven met steun van Engeland. Bij de onderhandelingen over de Noordzeeconventie van 1900 werd dat zonneklaar. Dat Nederland zijn neutrale positie in de Eerste Wereldoorlog kon waarmaken, was te danken aan het inzicht in Berlijn en Londen dat een bezetting van Nederland strategisch geen voordeel zou opleveren. Den Haag maakte zich vooral bezorgd om de Belgie-politiek van Berlijn. Annexatie van Belgie zou leiden tot een volledige omsluiting van het Nederlandse territorium door Duitsland en met de positie van Rotterdam als transitohaven voor het Duitse achterland zou het dan ook zijn gedaan. In de jaren dertig werd in Nederland de politieke en ideologische druk van de machtige en expansieve buur sterk gevoeld. Het enige resterende antwoord was een terugtrekking op een volstrekt onafhankelijke, dat wil zeggen niet-gebonden en neutrale positie.

ANNEXATIE

Dat impliceerde ook het afwijzen van een door Hitler aangeboden niet-aanvalsverdrag. Eind jaren dertig was het duidelijk dat elke manoeuvreerruimte tegenover het buurland verdwenen was en dat opnieuw het zelfstandig voortbestaan in handen lag van andere grote mogendheden. Na de Tweede Wereldoorlog was het in wezen niet anders. Nederland kon dan met het oog op zijn veiligheid tegen Duitsland annexatie van Duits grondgebied nastreven in combinatie met het verwerven van mijnbouwconcessies, het waren de grote mogendheden die de plaats van Duitsland in de naoorlogse wereld aan het begin van de Koude Oorlog bepaalden. De Nederlandse regering kon niet anders dan volgen, in 1952 contre-coeur bij de oprichting van de Europese Defensiegemeenschap volgens Den Haag een te klein kader voor het beheersen van het Duitse militaire potentieel en in 1954 con amore bij het Duitse lidmaatschap van de NAVO. In de discussie van 1990 over de plaats van het herenigde Duitsland zal Nederland ook niet veel meer kunnen doen dan zijn mening ventileren en vervolgens instemmen met de oplossing voor het probleem van de grote mogendheden.

De economische betrekkingen tussen de beide staten vormen de tweede hoofdstroom. Deze vormen in feite de hoofdschotel van de betrekkingen. Zij kenmerken zich door een toenemende complexiteit. Ging het in de eerste helft van de negentiende eeuw voornamelijk om het handelsverkeer, na 1850 was de aanvoer van grondstoffen via Rotterdam een factor van betekenis in de industriele ontwikkeling van Duitsland. Vanuit Duitsland kwamen geschoolde arbeidskrachten naar Nederland, die onder meer in de chemische sector een wezenlijke bijdrage leverden aan de industrialisatie van Nederland. Export van landbouw- en zuivelprodukten is een ander fenomeen, dat vanaf 1870 tot ontwikkeling kwam.

Geleidelijk ontwikkelde zich een toenemende graad van economische vervlechting, zeker na de Eerste Wereldoorlog, door investeringen over en weer, de expansie van multinationals en de internationalisering van het bankwezen. Nederland werd na het verdrag van Versailles een uitwijkhaven voor bepaalde Duitse industriele activiteiten. Na 1933 ondervond de Nederlandse economie de weerslag van deze afhankelijkheid van Duitsland door het streven van Berlijn naar autarkie. Na de Tweede Wereldoorlog manifesteerde de centrale functie van de Duitse economie voor de Nederlandse zich op twee manieren. Op grond van zuiver eigenbelang drong Den Haag aan op inschakeling van Duitsland in de wederopbouw van Europa: wederopbouw van de Nederlandse was in elk geval onmogelijk. Het is dan ook niet zo verwonderlijk dat Den Haag zich daarvoor systematisch inspande en in daadwerkelijke economische samenwerking met het nieuwe Duitsland geen problemen zag. Uiteraard zat in deze economische benadering ook een typisch Nederlandse verwoording van het veiligheidsaspect, namelijk dat de positieve integratie van Duitsland in West-Europa de Duitse dreiging zou wegnemen. Hoewel Lademacher met Duitse diplomaten uit het interbellum van oordeel is dat voor Nederland buitenlandse politiek in de eerste plaats handelspolitiek is, heeft hij dit aspect van de relatie enigszins stiefmoederlijk behandeld. De ontwikkeling van de Rijnvaart voor 1914 en de handelsbetrekkingen in het interbellum komen slechts mondjesmaat en dan nog maar terloops aan de orde.

ORDE

Het derde hoofdelement betreft het verschil in politieke cultuur. Lademacher typeert het pregnant door te stellen dat in Duitsland de behoefte aan orde de toon zet, terwijl in de Nederlandse traditie sinds de zestiende eeuw onafhankelijkheid, dat wil zeggen autonomie in eigen zaken en tolerantie kenmerkend zijn. Deze twee benaderingen botsten omdat ze elkaar niet verdroegen. Lademacher laat door zijn hele boek heen zien hoe vooral gebrek aan begrip voor deze wezenlijke kenmerken van de Nederlandse samenleving het voor de Duitsers en met name de regering moeilijk maakte inzicht te ontwikkelen in de Nederlandse mentaliteit en mutatis mutandis voor de Nederlanders en hun overheid in de Duitse en Pruisische geest. Niet dat men er geen moeite voor deed. Herhaaldelijk ondernamen Duitse diplomaten pogingen de Nederlandse geest aan Berlijn uit te leggen om daar vervolgens de conclusie aan te verbinden dat het moeilijk zou zijn dat volk aan de monding van de Rijn enigermate 'deutschfreundlich' te maken. Een schitterend staaltje daarvan is de analyse van Von Schmidthals uit september 1915. Met veel psychologie en de van Abraham Kuyper geleende typering van de Nederlander als polderboer kwam deze Duitse diplomaat tot de conclusie dat de Nederduitse polderboer door invloeden uit Frankrijk en Engeland tot Nederlander was geworden. De negatieve opstelling tegenover Duitsland vloeide voort ' uit het verzet van de individualistische Germaan tegen het organische beginsel in het Pruisendom, ' dat de Nederlander haat, ' omdat het de natuurlijke persoonlijkheid onderdrukt en hem zonder respect voor zijn eigenheid ondergeschikt maakt aan de wil van het collectief'.'

Zonder de analyse van Von Schmidthals te onderschrijven, kan men op grond van de ontwikkeling rond Duitsland in het afgelopen jaar en in een verder van ons liggend verleden de conclusie trekken, dat er inderdaad sprake is van veel onbegrip en gebrek aan kennis. Wie meent dat het beeld van de Nederlander als polderboer en dat van de Duitser anno 1990 als expansionistische Pruis aan bijstelling of heroverweging toe is, kan met Ungleiche Nachbarn een eind in de goede richting komen.