Eenderde van de deposito's berust bij banken met zwakke kapitaalsbasis; VS koersen af op een nieuwe bankenstrop

NEW YORK, 22 sept. De aandelenkoersen voor de grote banken staan 51 procent onder hun 52-weekse hoogtepunt, die van Chase Manhattan Bank zelfs 63 procent. Zijn de beurzen zoals gebruikelijk aan het doorslaan, of gaat het echt slecht met de Amerikaanse bankwereld? Het korte antwoord is: de beurs heeft een stuk minder reden om zich zorgen te maken dan de Amerikaanse overheid, die deposito's van banken garandeert in geval van faillissement. De groep van banken die nu al in problemen zitten en van andere die kwetsbaar zijn in een recessie, groeit voortdurend. Tegelijkertijd slinkt het garantiefonds dat spaarbanken beschermt tegen een dergelijke crises. De overheid garandeert deposito's tot 100.000 dollar per rekening en het faillissement van ongeveer 700 spaarbanken in de afgelopen twee jaar gaat de staat zo'n 147 miljard gulden kosten.

Voor gewone banken bestaat een soortgelijk garantiefonds, beheerd door de Federal Deposit Insurance Corporation (FDIC). Wat politici zich afvragen is: kan dat fonds binnenkort ook leeg raken, en zullen we opnieuw moeten bijspringen? Het General Acounting Office (GAO), de 'rekenkamer' van het Congres die wordt gerespecteerd om zijn voorzichtigheid en onafhankelijkheid, zei vorige week dat het FDIC-fonds in een recessie overheidssteun nodig zal hebben, en dat dit jaar 20 kleinere banken failliet zouden gaan. Volgens sommigen is dat maar het topje van de ijsberg. 'Wat het GAO zei, was een signaal naar het Congres: jullie hebben een groot probleem, we willen geen paniek veroorzaken, maar je moet wel begrijpen wat je bij de kop hebt', zei deze week Dan Brumbaugh in een gesprek. Samen met een andere econoom, Robert Litan van de Brookings Institution in Washington, waarschuwt Brumbaugh in artikelen en getuigenissen voor het Congres al sinds 1988 dat het garantiefonds van de FDIC bedreigd wordt, Zijn waarschuwingen hebben extra gewicht omdat hij al in 1985 voorspelde dat de spaarbanken de Amerikaanse belastingbetaler geld zouden kosten. Daarin heeft de econoom van Stanford University in Californie spectaculair gelijk gekregen. Overigens is hij niet langer aan Stanford verbonden: hij werd op 13 september ontslagen, volgens de Universiteit omdat zijn programma was vervallen, volgens Brumbaugh omdat hij de universiteit te veel goodwill had gekost in de bankwereld.

Bankieren is de afgelopen vijf jaar veel riskanter geworden, zeggen Brumbaugh en Litan. Grote bedrijven, de betrouwbaarste klanten van banken, lenen tegenwoordig zelf geld op de kapitaalmarkten; de banken werden gedwongen hun geld elders uit te lenen. Zij vonden gelegenheden in onroerend goed en in overnemingen met een groot percentage geleend geld ('Highly Leveraged Transactions', HLT's). Uit cijfers van het GAO blijkt die trend: in 1985 betrof 26,6 procent van alle leningen van alle banken onroerend goed, in 1989 was dat percentage 37 procent. Het percentage leningen aan bedrijven daalde, van 35 naar 30,1 procent. Over de leningen voor overnemingen heeft het GAO geen cijfers; maar Brumbaugh en Litan melden dat dergelijke leningen bij de 60 grootste banken eind 1988 11,5 procent vormden van de leningen aan bedrijven. Dergelijke leningen zijn extra gevoelig voor recessies, omdat de bedrijven afhankelijk zijn van hun kasstroom voor de afbetaling van die leningen.

Intussen zijn de leningen aan Derde Wereldlanden nog steeds niet afgebouwd, en dat is vooral een probleem voor de grootste banken. Als zij hun Derde Wereldleningen op hun marktwaarde zouden waarderen, zouden drie grote banken begin 1989 een kapitaalsratio (kapitaal als percentage van de totale activa) van minder dan 2 procent hebben gehad: Bank of America (1,48), Manufacturers Hanover Trust (1,44) en Chemical Bank (1,90). Bank of America, dat naast Derde Wereldleningen ook een groot aantal zwakke leningen in eigen land heeft, 'is op of dichtbij insolvabiliteit', aldus Litan en Brumbaugh begin dit jaar.

Terwijl de banken dus nu een riskantere mengeling van leningen hebben uitstaan, is hun kapitaalpositie verslechterd ten opzichte van de jaren zestig en zeventig. Dit is een technisch maar belangrijk onderdeel van het verhaal van Brumbaugh en Litan.

Zij vinden dat kapitaal 6 procent moet bedragen van de totale uitstaande activa (leningen). Dat is volgens de twee academici een minimum voor deze riskante tijden. De Bank voor Internationale Betalingen (BIB) heeft vastgesteld dat alle banken in de wereld in 1993 een primair kapitaal (aandelen plus ingehouden winst) van 4 procent moeten hebben, en een secundair kapitaal (primair plus achtergestelde leningen, stroppenpot en enkele kleinere categorien) van 8 procent.

Brumbaugh en Litan zeggen dat de stroppenpot niet meegeteld mag worden als het erom gaat de risisco's voor de FDIC vast te stellen. In een faillissement worden die reserves immers weggevaagd en heeft de FDIC er niets aan. Uitgaande van hun eigen definitie (ruwweg alle kapitaal zonder stroppenpot) vonden Brumbaugh en Litan dat er medio 1989 30 banken waren (met activa van 22,8 miljard dollar) met een ratio van minder dan 0 procent, dat er 31 banken (activa 11,6 miljard) waren met een ratio tussen 0 en 3 proent en 121 banken (activa 942 miljard) met een ratio tussen 3 en 6 procent. Totaal bijna een triljoen dollar, een derde van alle deposito's in Amerika, berust dus bij banken met een zwakke kapitaalsbasis.

Brumbaugh noemt een bank met minder dan 3 procent kapitaal 'zo goed als insolvabel.'

Waarom? Omdat boekhoudingsregels banken toestaan de problemen te versluieren. Activa staan geboekt op historische kostenbasis; pas bij verkoop moet de bank de marktwaarde rapporteren. Zo kan een bank zijn boeken opkalefateren door gezonde leningen te verkopen (en de boekwinst bij te schrijven) en slechte leningen te houden (die immers onveranderd blijven staan). Het aantal banken dat over de kop ging, is in de afgelopen vier jaar telkens toegenomen, zodat de paradoxale situatie ontstond dat, ondanks een economische hausse, de FDIC in 1988 voor het eerst in zijn 55-jarig bestaan zijn reserve zag dalen. Hetzelfde gebeurde in 1989 en FDIC-voorzitter William Seidman sluit niet uit dat dit jaar het fonds opnieuw zal interen. Zelfs de voorzichtige GAO concludeerde vorige week: 'Het federale systeem voor depositogarantie heeft sinds zijn oprichting tijdens de Grote Depressie nog nooit zo'n gevaarlijke periode meegemaakt als nu.' De FDIC heeft nu 13,2 miljard dollar in kas; dat is ongeveer 0,7 procent van de deposito's van alle banken. De overheid heeft zich bij wet vastgelegd dat percentage in 1995 op 1,25 procent te brengen door hogere contributies van de banken te vragen. De GAO zegt dat dat zelfs onder ideale omstandigheden niet zal lukken.

De GAO zei in zijn rapport vorige week dat totaal 35 banken of al insolvabel zijn of dit jaar gesloten zullen worden, en dat dit de FDIC 4 tot 6 miljard dollar zou kosten. Litan en Brumbaugh komen op eenzelfde bedrag uit. Maar zij wijzen op andere gevaren: - van de totaal ongeveer 12.000 banken in de VS zijn er maar liefst 9.000 met activa van minder dan 50 miljoen dollar. Vrijwel niemand buiten de toezichthouders weet hoe sterk die banken zijn.- eind 1989 was er totaal 42,1 miljard dollar aan activa in 479 banken die sinds 1986 ieder jaar verlies hadden geleden. Deze banken betaalden desondanks dividend; en zij bouwden desondanks hun leningen uit, met 6 miljard oftewel 17 procent. De kapitaalratio voor deze banken daalde van 8,46 tot 6,13 procent; bij deze trends zouden ze eind dit jaar insolvabel zijn, concluderen Litan en Brumbaugh. Uitgaande van dezelfde schattingen zou dat de FDIC nog eens 6,3 tot 12,6 miljard dollar kosten.- Er zijn verder 244 banken, met totaal 30,9 miljard activa, die in 1988 en 1989 verlies leden en desondanks dividend bleven uitbetalen en nieuwe leningen verstrekken.- De FDIC zelf zegt dat zij ruim 1100 probleembanken onder toezicht houdt, met ruwweg 200 miljard aan activa. Zelfs als de FDIC maar 2,5 procent op die portefeuilles verliest, kost dat al 5 miljard dollar.

Op basis van deze gegevens lijkt de kans groot dat de FDIC-kas leeg zal raken als er een recessie komt.

    • Michiel Bicker Caarten