EEN RK PROF OVER 'ZIJN' ZUIL

In het laatste artikel van Mensen en Situaties, dat eerder als le zing voor het KRO-bestuur diende, betoont prof. dr. Manning zich eerder een gelovige dan een historicus. Hij spreekt het omroepbestuur moed in met opmerkingen zoals: Descartes en Newton hebben ons op een doodlopende weg gevoerd. Het is opmerkelijk dat een dergelijke bijdrage wordt opgenomen in een bundel van Mannings eigen artikelen die een dertigjarige carriere als hoogleraar in de moderne geschiedenis afsluit. Op 1 oktober zal hij vervroegd uittreden om een biografie over koningin Wilhelmina te kunnen schrijven. Vroeger ging je naar de universiteit om een dergelijk project uit te kunnen voeren, nu ga je er voor weg.

De bundel weerspiegelt vooral een van Mannings voornaamste interessegebieden, namelijk de positie van het katholicisme in de Tweede Wereldoorlog. Manning vindt dat de Tweede Wereldoorlog niet als een breekpunt in de Nederlandse geschiedenis moet worden beschouwd. Vanuit een katholiek oogpunt heeft hij daarin ongetwijfeld gelijk. De bezettingstijd vormde geen uitzondering op de situatie dat het episcopaat bepaalde wat het katholieke volksdeel dacht en deed. Hierin zou pas halverwege de jaren vijftig verandering komen.

Eerst was er de encycliek Quadragesimo Anno van 1931 die een maatschappelijke reorganisatie op corporatieve grondslag voorschreef. Hiermee dacht de paus het antwoord te hebben gevonden op het de maatschappij verziekende kapitalisme, socialisme en liberaal individualisme. Dat corporatieve doet denken aan het fascisme, maar daarmee wilde de kerk zich zeker niet identificeren. In 1934 en 1936 werd Nederlandse geestelijken en leken verboden lid te worden van de NSB. Wie zich niet aan dit verbod stoorde, zou de sacramenten en ook de kerkelijke begrafenis moeten ontberen.

Manning merkt terecht op dat onderzoek naar de houding van de katholieken vlak voor en tijdens de Duitse bezetting zich moet richten op bisschoppen en andere leidende figuren binnen de 'zuil'. Immers, wat de bisschop voor had, sijpelde via lagere geestelijken, jeugdleiders, de verenigingsbestuurders en de eigen pers tot de gelovigen door.

Dat ging evenwel niet zonder moeite. Op 15 mei 1940 adviseerden de bisschoppen van Utrecht, Den Bosch en Breda dat de maatregel tegen de NSB van kracht moest blijven. In december van datzelfde jaar werden enkele moraaltheologen ingeschakeld die zich moesten buigen over de vraag of er 'in verband met de huidige omstandigheden' toch een andere houding ten opzichte van de NSB diende te worden ingenomen.

Het antwoord was 'nee', en zo werd het ook in een brief aan de NSB, de WA, de SS en andere mantelorganisaties overgebracht. De bezettingsautoriteiten reageerden woedend op deze 'offene Kampfansage an den Nationalsozialismus'. Toch distantieerden de Nederlandse bisschoppen zich enkele maanden later ook van de nationaal-socialistische Winterhulp.

Voordat men zich over deze onverzoenlijkheden verwondert, dient gezegd te worden dat voor en na de oorlog het lidmaatschap van 'neutrale' (dus niet-katholieke) verenigingen voor katholieken evenmin geoorloofd was. Er waren natuurlijk uitzonderingen. Een passief lidmaatschap van de gelijkgeschakelde organisaties was toegestaan als daarmee leven of werk werd gespaard. Twijfelgevallen werden aan de bisschop voorgelegd. Zo kwam een Tilburgse pastoor met het geval van een vader van vier kleine kinderen die een half jaar in Duitsland had gewerkt en nu in zijn eigen woonplaats een baantje kon krijgen op voorwaarde dat hij zich opgaf voor het Nederlandsch Arbeids Front. De bisschop verleende geen dispensatie om lid te worden. De man zou ' het best doen zoo spoedig mogelijk naar ander werk uit te zien'.

Ook al was er maar een vereniging voor bijentelers waarvan lidmaatschap noodzakelijk was om tabak of suiker te krijgen, toch mochten katholieken daarvan zelfs geen passief lid zijn. ' Zij moeten dan maar geen bijen houden.'

In ondergrondse bladen zoals Het Parool en Je Maintiendrai werd het optreden van de bisschoppen geregeld met sympathie gesignaleerd.

Merkwaardig genoeg mochten PTT'ers met het oog op een 'mooie positie' wel lessen volgen in de sociale economie, wat neerkwam op het zich verdiepen in het nationaal-socialisme. En om de subsidie niet mis te lopen, stelde de aartsbisschop voor in de openbare bibliotheek de bordjes 'voor Joden verboden' maar op te hangen.

De katholieke universiteit van Nijmegen reageerde meer principieel dan de aartsbisschop toen in 1943 een loyaliteitsverklaring van de studenten werd geeist. De rector-magnificus weigerde zelfs een dergelijke verklaring aan zijn studenten voor te leggen. Zij konden dus niet eens tekenen.

Dit is ontleend aan een artikel dat Manning twaalf jaar geleden publiceerde. Nu hij het heeft laten herdrukken, wreekt zich het feit dat andere historici in die tijd niet hebben stilgezeten. In een noot bij zijn toch al magere opmerkingen over de katholieke pers tijdens de bezetting bijvoorbeeld, verwijst Manning naar de onvoltooide studie van J. Haak. Die studie is in 1988 afgemaakt en gepubliceerd door Rene Vos. Manning blijft naar 'wijlen dr. J. Haak' verwijzen. Zijn conclusie dat de katholieke pers een hoge tol aan de gelijkschakeling heeft betaald om niet verboden te worden, is op zichzelf overigens wel juist. Het herdrukken van oude artikelen brengt ook meer vleiende dingen aan het licht. Mannings opmerkingen over de Nederlandse Unie zijn nog nooit door anderen overtroffen in de vorm van een degelijke studie. J. C. H. Blom heeft daar in een vorig jaar gebundeld artikel wel een aanzet toe gegeven, maar hij redeneert waarschijnlijk te veel vanuit de algemene afkeer van de NSB die mensen in groten getale voor de Unie zou hebben doen kiezen. Manning daarentegen verklaart de grote toeloop van Brabantse katholieken in 1940 eerder uit de passieve houding van de Rooms Katholieke Staats Partij. Het waren de katholieke boeren en middenstanders die met de minste moeite voor de nieuwe orde waren te winnen. Niet dat zij ongehoorzaam aan hun bisschop waren, maar zij hebben het langst de naieve gedachte gekoesterd dat een katholiek corporatisme naast het nationaal-socialisme kon bestaan. Die gedachte meenden zij terug te vinden in het op samenwerking met de Duitsers gebaseerde programma van de Nederlandse Unie.

    • Hans Renders Mensen
    • Uitgeverij Arbor 1990
    • Twintigste Eeuw Door A. F. Manning 387 Blz