Derde Wereld lijdt strop van miljarden door crisis in Golf

WASHINGTON, 22 sept. De kosten van de hogere olieprijzen zijn buiten beschouwing gelaten.

Voor Jordanie gaat het om 30 procent van het bruto nationale produkt, voor Egypte om 4 procent, voor Turkije om 2,5 procent. Andere zwaar getroffen landen zijn Maroco, Pakistan, Soedan, Bangladesh, India, de Filippijnen en Sri Lanka.

De Wereldbank onderzoekt mogelijkheden om deze landen snel bij te staan, maar de mogelijkheden daartoe zijn beperkt, althans op korte termijn. De meeste landen zitten al aan hun limiet van wat ze van de Wereldbank mogen lenen. Bovendien ligt de bestemming van goedgekeure leningen vast en zijn de fondsen die de Wereldbank beschikbaar heeft voor concessionele hulp beperkt.

Wel kan het geld van goedgekeurde leningen voor bestaande projecten versneld uitbetaald worden en kunnen noodprogramma's worden opgezet voor de opvang van gevluchte gastarbeiders uit de Golfregio.

Een blijvend hoge olieprijs heeft negatieve gevolgen voor een veel groter aantal ontwikkelingslanden. Ten minste 60 landen in de Derde wereld zouden twee procent of meer van hun bruto nationale produkt verliezen omdat ze meer voor hun energie-import moeten betalen. De Wereldbank schat de kosten hiervan op respectievelijk 16 en 32 miljard dollar jaar bij een gemiddelde olieprijs van respectievelijk 25 en 29 dollar per vat in 1990 en 1991. De gevolgen van structureel hogere olieprijzen zijn dramatisch voor landen als Roemenie, Bulgarije, Belize, Dominicaanse Republiek, Haiti, El Salvador, Honduras, Jamaica, Nicaragua en Guyana. De hardst getroffen armste landen zijn Guinee Bissau, Kenia, Lesotho, Mali, Mozambique, Sierra Leone, Somalie en Uganda. Al deze landen zijn tussen de tien en dertig procent van hun bruto nationaal produkt kwijt aan de import van duurdere olie.

Toegang tot bankkredieten om deze hogere olierekening te betalen, zoals in de jaren zeventig gebeurde, is onmogelijk omdat de meeste landen nog steeds gebukt gaan onder de schuldenlast die toen werd opgebouwd. Meer ontwikkelingshulp is op korte termijn evenmin beschikbaar. De Wereldbank komt tot de conclusie dat voor deze landen geen andere uitweg bestaat dan zich aanpassen aan een periode van hogere energiekosten. De Wereldbank houdt de olie-importerende ontwikkelingslanden voor dat uitstel van aanpassingen de sociale en economisch kosten op termijn alleen maar groter maakt. Het advies van de Wereldbank is dan ook: hogere olieprijzen doorberekenen aan de consumenten, devaluatie van de lokale munt, een strikt begrotings- en monetair beleid. Vrij vertaald: de broekriem aanhalen.

    • Roel Janssen