DE MEIDAGEN VAN '40 HERKAUWD

Het dubbele lustrum van de Tweede Wereldoorlog een halve eeuw na de Duitse inval en vijfenveertig jaar na de Duitse capitulatie is aan het Nederlandse volk niet onopgemerkt voorbijgegaan. Wetenschappelijk gezien was het congres, in de ondertitel van de te recenseren bundel genoemd, bedoeld als een van de hoogtepunten van de herdenking. Vijf belangrijke instellingen op het gebied van de geschiedbeoefening organiseerden het: het Nederlands Historisch Genootschap, het Instituut voor Nederlandse Geschiedenis, het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, de Sectie Militaire Geschiedenis van de Bevelhebber der Landstrijdkrachten en de Vereniging Geschiedenis, Beeld en Geluid. Een tweedaags congres met acht hoofdlezingen van elk een half uur, twaalf kleine lezingen van een kwartier en twee avonden met film, forum en voordracht.

De congresgangers konden ter plaatse de bundel met de teksten van vrijwel alle lezingen aanschaffen; slechts twee van de twintig zijn niet opgenomen. Voor deze prestatie verdient zowel redactie als uitgever lof. Het moet wel haastwerk zijn geweest en dat kun je aan het boekwerk beslist niet zien. Alle teksten zijn uitvoerig en degelijk geannoteerd en achterin is een lijst opgenomen van ruim vierhonderd titels van aangehaalde literatuur.

Tevoren zijn kennelijk geen afspraken gemaakt tussen de auteurs over afgrenzing van hun onderwerpen. Zo wordt het weinige dat de Duitser G. Hirschfeld in zijn beknopte bijdrage over de rol van de Wehrmacht bij de behandeling van krijgsgevangenen over de Nederlanders schrijft, volledig overlapt door het uitvoeriger verhaal van J. C. H. Blom. Maar het ontbreken van die afgrenzing kan ook tot interessante tegenstellingen leiden. De Duitser H. Boog, om een voorbeeld te geven, schrijft in zijn goed gedocumenteerd opstel over de operaties van de Luftwaffe tegen Nederland dat de generale staf al vanaf 1938 de noodzaak had benadrukt Nederland onderdeel te laten zijn van het westelijk front. J. W. M. Schulten beweert daarentegen juist, in een poging het beeld te rectificeren van een heldhaftige strijd van de Nederlanders om de Grebbeberg, juist dat de verovering van Nederland voor de Wehrmacht slechts bijzaak was.

Ook zonder afspraken vooraf konden bepaalde thema's niet ontbreken, bijvoorbeeld het bombardement op Rotterdam. H. Amersfoort, die een bijdrage levert over de oorzaken van de snelle nederlaag van het Nederlandse leger, schrijft dat de Duitsers al in de vroege avond van zondag 12 mei wisten dat de strijd feitelijk beslist was. Afgezet tegen deze uitspraak slaagt hij er niet in duidelijk te maken wat de zuiver militaire betekenis van het bombardement was. Boog noemt het bombardement een noodlottige vergissing. Het zou slechts de bedoeling zijn geweest het verzet bij de Maasbruggen te breken; generaal Schmidt had opdracht gekregen maatregelen te nemen om nodeloos bloedvergieten onder de burgerbevolking te voorkomen. Bovendien was het volgens hem een Duits militair belang de stad niet te bombarderen: het puin zou de opmars belemmeren. Het bombardement was betreurenswaardig, maar ' the bombing of Rotterdam, like that of Guernica, was not a terror attack'.

De Duitse dreiging om na Rotterdam Utrecht te bombarderen is bij deze gedachtengang moeilijk in te passen.

GEEN INDEX

Binnen de andere op het congres behandelde thema's, zowel militaire als niet-militaire thema's, kan men eveneens dergelijke interessante tegenstellingen vinden. Bij het speuren daarnaar zou een index een belangrijk hulpmiddel zijn geweest, maar deze ontbreekt helaas. In de inleiding schrijft congresvoorzitter A. E. Kersten dat volgens de organiserende instellingen bij de wetenschappelijke geschiedschrijving over de Tweede Wereldoorlog nieuwe wegen moeten worden ingeslagen.' Immers, elke generatie schrijft haar eigen geschiedenis. Aan de geschiedschrijving van de Tweede Wereldoorlog is in hoofdzaak vorm gegeven door de generatie die de periode van de Duitse bezetting persoonlijk als volwassene of jongere heeft beleefd. Op hun netvlies is het beeld van de geuniformeerde bezetter blijven hangen en dat heeft hun blik op het verleden mede bepaald. Inmiddels heeft zich een nieuwe generatie aangediend die deze directe en persoonlijke betrokkenheid mist en het verleden met andere vragen benadert.' Van de vijftien auteurs die in Nederland werkzaam zijn, zijn er twaalf in of na de Tweede Wereldoorlog geboren. Zij behoren tot de door Kersten bedoelde nieuwe generatie.

In hun bijdragen bevindt zich niet veel dat innoverend is, weinig dat niet al elders te lezen valt. G. Teitler (1942) schrijft een interessant stuk over de les die de marine in en uit de Tweede Wereldoorlog trok: geen regionale maar een wereldwijde defensie. B. G. J. de Graaff (1955) is de enige die een echt internationaal vergelijkend onderzoek heeft gedaan, volgens Kersten een van de belangrijke doelstellingen van het congres. Hij schrijft een degelijke en tegelijkertijd uitdagende vergelijkende studie over de begrippen collaboratie en verzet in de Belgische, Franse en Nederlandse geschiedschrijving van de Tweede Wereldoorlog. R. T. Griffiths (1948) komt, als enige, met een werkelijk innoverende aanpak: een poging om via statistisch materiaal de mate van uitbuiting van de Nederlandse economie door de Duitse bezetter te meten. Hij komt tot de conclusie dat de schade aan het produktie-apparaat - hoewel in Nederland groter dan in enig ander Westeuropees land - na de oorlog aanzienlijk hoger werd geschat dan ze in werkelijkheid was. De overheid heeft die overschatting bij haar economische planning vrij snel gecorrigeerd, maar in de literatuur zijn de bedragen niet bijgesteld. U. Rosenthal (1945) levert een vernieuwende bijdrage over de invloed van de oorlog op de overheidsorganisatie, waarbij hij de naoorlogse voorstellen in zijn analyse betrekt (maar opvallend genoeg de voorstellen van D'66 zelfs niet noemt). M. G. M. van Elteren (1947) zou men in dit gezelschap in zoverre vernieuwend kunnen noemen dat hij in zijn verhaal over gezagsaanvaarding en beeldvorming na 1945 uitgaat van een vorm van Verneinung van de invloed van de oorlogservaringen, althans heeft hij moeite met personen wier ' intellectuele preocupaties (...) wel erg sterk op de nawerking van de Tweede Wereldoorlog zijn gericht'.

De Engelsman M. R. D. Foot (1919, dus niet behorende tot Kerstens nieuwe generatie) komt in zijn bijdrage over het nut van het verzet met nieuwe en verrassende gegevens over een dapper Nederlands volk, gegevens die hij helaas niet onderbouwt. Zo laat hij ongeveer een miljoen mannen en vrouwen deelnemen aan het verzet, het grootste deel daarvan vanaf de eerste stadia van de bezetting.

SAMENVATTINGENHet getuigt van armoe dat drie van de achttien bijdragen bestaan uit samenvattingen van eerder gepubliceerde werken en derhalve niets toevoegen aan wat er al was. A. Waalewijn (1923) vat zijn in februari 1990 verdedigd proefschrift over de Rijkswaterstaat in oorlogstijd samen. Hij doet daar niet moeilijk over; op twee uitzonderingen na bevatten de noten bij zijn verhaal uitsluitend verwijzingen naar die dissertatie. J. H. J. van den Heuvel (1940) en D. M. Ligtemoet (1963) maakten een samenvatting van hun in 1987 gepubliceerde boek over het verschil tussen de voorbereiding in Londen en de uitvoering in Nederland van de zuivering van ambtenaren. Er is ondertussen nogal wat over dat onderwerp verschenen, onder meer in 1989 de dissertatie van Romijn. In die dissertatie noemt Romijn het boek van Van den Heuvel en Ligtemoet als bron en in de bijdrage van Van den Heuvel en Ligtemoet wordt Romijn weer als bron genoemd. Het wordt dan wat moeilijk na te gaan wie wie als bron gebruikt. De Fransman H. Rousso (1954), als derde, geeft met zijn beschouwing over de wijze waarop het Franse volk na 1944 is omgegaan met het Vichy-verleden slechts een samenvatting van zijn boek dat in 1987 verscheen.

Wat verder? Zoals gezegd was het toepassen van de internationaal vergelijkende methode een van de als belangrijk beschouwde aspecten van de nieuwe aanpak op het congres. De bijdrage van De Graaff is in dit verband al genoemd. Met enige moeite kan het nog geen vier pagina's tellende opstel van Hirschfeld hieronder worden gerangschikt. De bijdragen van Rousso over Frankrijk en van de Noor O. Riste (1933) over de betekenis van de Noorse nederlaag voor het defensiebeleid van Noorwegen zijn, hoe interessant ook op zichzelf, geen produkten van internationaal vergelijkend onderzoek.

De beste bijdrage is die van Daalder (1928). Kort en helder analyseert hij de traditie van het gezag in Nederland voor 1940, het gezagsprobleem tijdens de bezetting, de effecten van die bezetting voor de gezagsopvatting na 1945 en de invloed daarvan op de verwerping van het gezag na 1960. Ik zou er weinig moeite mee hebben vast te stellen wie met de eerste prijs naar huis mag gaan. Moeilijker zou het zijn te bepalen wie voor de poedelprijs in aanmerking komt. Wegens de embarras du choix.

    • A. E. Kersten
    • G. N.Van der Plaat 238 Blz