ARCHEOLOGIE

In de jaren zeventig van de vorige eeuw werd even ten zuiden van de Noorse hoofdstad Oslo een groot spoorwegemplacement aangelegd, op de plek waar het middeleeuwse Oslo had gelegen. In het begin van de zeventiende eeuw was deze stad naar het noorden verplaatst, en tot 1870 bleef het terrein van de voormalige stad onbebouwd. Voordat met de aanleg van het emplacement werd begonnen, legden enkele enthousiaste spoorwegingenieurs al overblijfselen van vroegere bewoning vast, maar pas een eeuw later werd het onderzoek hervat door professionele archeologen. Beide onderzoeken geven de ontwikkeling aan die de moderne Europese stadsarcheologie heeft doorgemaakt.

In Nederland valt het begin van stadsarcheologie vijftig jaar later. Aan de universiteit van Groningen werden vanaf 1928 opgravingen gedaan, met als resultaat dat het landschap om de stad, de stadsbegrenzing en de bebouwing met elkaar in verband werden gebracht. Het onderzoek in Groningen geeft het verschil aan tussen stadsarcheologie en archeologie in de stad. Al in de eerste helft van de vorige eeuw vonden in Nijmegen en Maastricht opgravingen plaats, maar deze pasten geheel in de traditie van de Romeinse archeologie: de middeleeuwse grondlagen werden zonder veel onderzoek weggegraven om maar zo snel mogelijk de lagen van Noviomagus respectievelijk Traiectum te bereiken. Van onderzoek naar de ontwikkeling van de stad was geen sprake.

De verwoestingen in de Tweede Wereldoorlog waren voor de stadsarcheologen aanleiding tot het uitvoeren van noodonderzoeken. Zowel in Rotterdam als in Middelburg werden nog tijdens de oorlog opgravingen verricht, maar het doel daarvan, respectievelijk kastelen en een ringwalburcht, had ook hier met de ontwikkeling van de steden weinig te maken. De kastelen lagen buiten het middeleeuwse Rotterdam en de ringwalburcht ging aan het middeleeuwse Middelburg vooraf. In Amsterdam werd pas in 1954 naar Gronings model met een stadskernonderzoek begonnen, met de hele stad als hoofdonderwerp en de naaste omgeving als referentiekader. Het onderzoek, dat nog steeds volgens dit concept plaatsvindt, beoogt in kaart te brengen hoe de stad zich heeft ontwikkeld. Deze aanpak heeft binnen de stadsarcheologie inmiddels algemene geldigheid gekregen. Dit leidde begin jaren tachtig tot het onderscheid tussen archeologie van de stad en archeologie in de stad.

In dit kader konden de talrijke opgravingen worden geplaatst die het gevolg waren van de sanering van de binnensteden in de jaren zestig. Uitgaande van het voormalige streekdorp Dordrecht werd het proces van urbanisatie in het rivierengebied gevolgd, waarbij ook Nijmegen, Deventer en Tiel werden betrokken. De positie van het vroeg-middeleeuwse Medemblik werd afgezet tegen de bewoning van heel West-Friesland; in 's-Hertogenbosch werd het stedelijk bodemarchief op afzonderlijke thema's (zoals ruimtelijke indeling, huizenbouw, ambachten en handel) vergeleken met de resultaten van onderzoek in andere steden. Vanaf de jaren zeventig stelden steeds meer steden gemeentelijke archeologen aan, veelal om verlies van gegevens door stedebouwkundige ingrepen, zoals de aanleg van de metro in Amsterdam en de bouw van Hoog-Catharijne in Utrecht, te voorkomen. Inmiddels kijken zij ook over de stadsgrenzen heen naar de onmiddellijke omgeving en naar vergelijkbare steden. In Verborgen steden - stadsarcheologie in Nederland wordt een overzicht gegeven van de resultaten van opgravingen in negentien steden gedurende de laatste twintig jaar. Door van elke stad afzonderlijk een andere fase in de geschiedenis te belichten, ontstaat een chronologisch overzicht van de stadsontwikkeling in Nederland, van het einde van de Romeinse tijd (vierde eeuw) tot het begin van de Gouden Eeuw. Zo ligt in het hoofdstuk over Maastricht de nadruk op de overgang van de laat-Romeinse tijd naar de vroege middeleeuwen, en in dat over Amsterdam op de zeventiende-eeuwse stadsuitbreidingen. Daarnaast bevat Verborgen steden een overzicht van alle vijfenzestig steden waar archeologisch onderzoek van belang heeft plaatsgevonden. Het is een rijk geillustreerd overzicht geworden - zo rijk zelfs, dat een groot deel van de afbeeldingen helaas op postzegelformaat moest worden afgedrukt. Maar wie de vondsten op ware grootte wil bezichtigen, kan terecht bij de vele vitrines en tentoonstellingen die in de verschillende steden zijn ingericht.

200 blz., geill., Meulenhoff 1990, f39,50 (na 30 september f59,90) ISBN 90 290 9936 4