WAT WIJ ZIEN EN HOREN

Als je wilt weten hoe wij wonen, in wat voor huis, moet je naar Artis gaan. Dat klinkt een beetje raadselachtig, om niet te zeggen nogal vreemd. Alsof we in een reptielenhuis wonen of op een apenrots bivakkeren. Maar het is nog gekker dan je denkt. Ons huis lijkt sprekend op een zekere nachtroofvogel. Als je in Artis langs de leeuwen gaat en langs de kooien met tijgers, panters en jaguars en je slaat dan rechtsaf dan kom je aan een stel sombere en vochtige kooien met nep-ruines van baksteen tegen de achterwand. (Let maar niet op de aan stukken gehakte kuikentjes op de voederplaatsen want dan begin je bijna te huilen. Vooral als zo'n donzig hompje een oogje heeft dat half openstaat.) Daar zitten kerkuilen, oehoes en ook een paar sneeuwuilen die zo wit zijn als... precies, als ons huis. Grapje. Maar het is niet de kleur, want wit is ook een kleur volgens onze vader, zelfs de kleur der kleuren, maar de vorm waardoor ons huis op zo'n opgeklopte beddezak van een verenpop lijkt. Het heeft een rond dik torentje van twee verdiepingen dat op de bolle kop van de vogel lijkt en van dat torentje loopt het andere gedeelte van het huis schuin naar de grond. Het verenlijf met de vleugels. Van heel ver kan je ons huis al tegen de donkere staatsbossen zien liggen en dan lijkt het nog meer op een sneeuwuil. Toen onze ouders hier kwamen wonen, wij waren er toen nog niet, dat wil zeggen, we zwabberden nog een beetje rond in de buik van onze mama, wilden ze het huis eerst De Sneeuwuil noemen. Dat hebben ze gelukkig niet gedaan, ze plagen al genoeg op school. En als je moet zeggen, we wonen in De Sneeuwuil, klinkt dat behoorlijk lullig. Toch zegt onze vader nog wel eens als de herfststorm tekeer gaat en je hoort de dakpannen klapperen, 'Hoor, de sneeuwuil schudt zijn veren.'

Het huis heette eerst De Skuul, dat stond met grote letters op de voorgevel, en onze vader zei toen in het begin, het mooiste zou natuurlijk zijn als ik die laatste u veranderde in een l. The Skull. De schedel. Het lijkt ook wel wat op een witte schedel, ons huis. Maar gelukkig is dat ook niet doorgegaan. Onze mama zei, ik ben niet met Edgar Allan Poe getrouwd. Want als je daar een verhaal van hoort... onze papa leest er wel eens wat van voor en hij zegt altijd dat je bijna het doodsgebeente tussen de pagina's vandaan op de grond hoort kletteren. En wij zien al dat ze ons dan op school De Doodskoppies genoemd hadden. Het is gelukkig Pomona geworden. Dat was de godin van de boomvruchten bij de Romeinen. Je ziet haar vaak afgebeeld, natuurlijk spartelnaakt, met een appel in haar hand. Toen onze ouders hier voor het eerst kwamen lag de grond bezaaid met eikels, beukenoten, hazelnoten en appels. Het is dus eigenlijk wel een goeie naam en niet zo vreemd dat je je ervoor hoeft te schamen. Alleen al in Amerika heb je wel zes stadjes die Pomona heten.

De achterkant van het huis staat tegen het bos, of eigenlijk erin. Het is net of het groene gebladerte in de witte ronding van het torentje bijt. Je hoort er spechten en winterkoninkjes en roodborsten. De voorkant kijkt, kilometers ver, uit over weilanden en akkers. Daar hoor je wulpen en grutto's en in de herfst zie je de ganzen in lange waaiers door de lucht gaan. En soms ziet onze vader 's morgens een speciaal soort wit langs de slootkant in de verte stappen. Een romig wit, waarvan hij zegt dat er een spettertje oranje door zit. Dan kijkt hij door de verrekijker en dan mogen we om de beurt naar de lepelaar kijken. Want die vogel is het. Nou weten jullie meteen dat we op Texel wonen.

Een paar dagen geleden gingen we naar de boekhandel om een poster voor onze kamer te kopen. Ineens zagen we een foto van een heel lief en treurig hoofd, dat van professor Einstein. En die wilden we hebben, daar waren we het meteen over eens. Eronder stond iets dat hij zeker eens gezegd heeft. Imagination is more important than knowledge. Onze papa vertaalde het voor ons. Verbeeldingskracht is belangrijker dan kennis. Maar hij zei dat dat niet wilde zeggen dat we nou maar op voorspraak van professor Einstein ons best niet hoefden te doen op school. Toen we de foto aan de kassa kwamen betalen zei de juffrouw, 'Dat is voor het eerst dat jongens van jullie leeftijd professor Einstein kopen. Ze nemen allemaal Madonna.'

Toen we zeiden dat we Madonna een trut vonden trok ze haar kin een beetje in. We hebben toen maar niet naar de laatste Klepzeiker gevraagd, want dan was haar adamsappel misschien wel gespleten.

Nu nog even een mop, want daar hield professor Einstein ook van op z'n tijd. Een man komt een schoenenboetiek binnen, zegt welke schoenen hij wil hebben en wat zijn maat is en, terwijl de winkeljuffrouw het verlangde haalt, doet hij zijn versleten schoeisel van zijn zweetdoorweekte sokken. Meteen verspreidt zich een walgelijke stank van bedorven garnalendoppen door de winkel. Als de juffrouw terugkomt deinst ze achteruit. Klanten beginnen met vertrokken gezichten te snuiven en de winkelchef komt met zijn handen in wanhoop omhoog aangestoven. 'Geef die man die schoenen gratis en laat hij meteen vertrekken, ' roept hij. De juffrouw duwt de man met schoenen en al naar de uitgang en zegt dat hij de schoenen voor niks mag hebben als hij maar zo snel mogelijk de zaak verlaat. Vlak voor de deur laat de man een keiharde scheet en vraagt, 'Kan ik hier nog een paar pantoffels voor krijgen?' Een mop die Einstein bedacht heeft. Echt waar!(wordt vervolgd)

    • Bob En Jan Wolkers