Sissende snelkookpan

Peter van Gestel heeft de Nederlandse jeugdliteratuur verrijkt met een aantal figuren Joost, Saartje, Ko Kruier die mij helder voor ogen staan en met Boze Soe publiceerde hij onlangs zijn achtste jeugdboek sinds 1979. Toch blijft hij altijd enigszins in de marge van het kinderboekgewoel opereren. Daarmee is hij verwant aan zijn protagonisten, buitenstaanders, die vanaf de zijlijn met verbaasd gefronste wenkbrauwen het menselijk bedrijf gadeslaan. Het zijn eenlingen van het nadenkende soort, die het leven zien als een zaak van een tegen velen. Het meest sprekend is Ko Kruier, de intelligente puber, die de rondom hem voortmodderende volwassenen van onderkoeld commentaar voorziet. Soe is met haar bijna vijftien jaren en haar hobbelige schoolloopbaande vrouwelijke tegenhanger van Ko Kruier. Waar Ko schuilgaat onder cynisme en zelfspot is Soe een van emotie en agressie overborrelende ketel, een sissende snelkookpan, waar elk moment de zekering uit kan springen. Ze is enig kind en zit muurvast in de benauwende drieeenheid met haar ouders. Soe wringt zich in allerlei bochten om haar onverdraaglijk aardige vader en moeder tot afkeuring of tegenstand te dwingen, maar Beertje en Kriebel koosnaampjes van vroeger zijn van het moderne, zelden grenzen stellende oudersoort. Ze voelen aan als een watten muur, die je altijd nog een eindje verder kunt duwen. Bovendien is Beertje ook nog eens Soe's leraar Nederlands: 'Wanneer ik zijn dochter niet was, zou ik hem de leukste leraar van de school vinden, nu was hij alleen maar de domste vader van de wereld.'

Alle onmacht en onvrede leiden tot akelige hoestaanvallen: is Soe allergisch voor haar eigen ouders? De lezer krijgt drie dagen uit het leven van boze Soe voorgeschoteld. Hij ziet haar onafgebroken in de weer om naar alle kanten te schoppen en haar omgeving uit te dagen en te choqueren. Dat levert amusante scenes en conversaties op, allemaal aanloopjes tot de climax: Soe neemt de benen met de sloomste jongen van de klas. In een totaal verregende en onromantische omgeving gaat het tweetal de confrontatie aan en merkt dat ze aan elkaar gewaagd zijn. Voorzichtig laten ze elkaar iets van hun kwetsbare plekken zien, wat gelukkig niet leidt tot obligaat gezoen, maar tot meer oorspronkelijke uitingen van genegenheid. En op de laatste pagina springt Soe, als een poes op zoek naar kattekwaad, al weer bij een ander jong mens op de bagagedrager.

In zijn vroegere boeken leek Van Gestel een kind vooral te gebruiken om zijn ongenoegen over volwassen gedragingen te ventileren. Boze Soe is in de eerste plaats een mooi, afwisselend lachwekkend en ontroerend portret van een meisje met de groeikriebels. Met groot inlevingsvermogen heeft de auteur haar neergezet, als een soort Joop ter Heul die in het Adrian Mole-tijdperk is beland. Van haar schepper kreeg ze wel meer diepgang mee dan deze twee beroemde adolescenten. De volwassenen blijven nogal steken in het karikaturale. De leraar anno 1990 is een vermoeide paljas, de ouder een weekdier. De vorm van het boek is niet helemaal geslaagd. Van Gestels kracht ligt in het schrijven van korte scenes. Die worden niet echt een geheel. Soe bericht over haar puberkwellingen in de ik-vorm. Daar tussendoor staan in cursief overpeinzingen uit haar dagboek gestrooid. Verschil tussen dagboek en ik-verhaal is onduidelijk en verwarrend voor de lezer. Bovendien zijn de observaties soms wel erg ouwelijk en gekunsteld voor een veertienjarige. Over de biologieleraar: 'Zijn les kwam neer op een voorstelling die je vroeg in de ochtend werd opgedrongen. Zo kon hij het leuk vinden om met klapwiekende armen

veel gekwaak een moedereend te spelen die haar jongen zwem- en vliegles gaf of bijvoorbeeld met vooruitgestoken lippen en gestrekte nek een giraf die niet uitgebabbeld raakte over zijn eetgewoontes. Maar ik vond het niet te pas komen dat een leraar dieren liet praten, dat was niet wetenschappelijk.'

Ergens merkt Soe op dat geestig zijn een ernstige tic is, waar sommige mensen hun leven niet meer van afkomen. Er is weinig zo prettig als lachen om een boek, maar Soe en Van Gestel hebben mij het meeste te zeggen wanneer ze niet al te lollig willen zijn.

    • Boze Soe. Uitg. de Fontein. Prijs
    • Bregje Boonstrapeter van Gestel