Roltrap

Laatst was er in de Bijenkorf een meisje, nog vrij klein, Dat op de roltrap naar de top de enige wou zijn. Het was met haar nu eenmaal zo dat zij niet goed kon velen Dat zij die roltrap telkens weer met anderen moest delen. Zij wou er heel alleen op staan, van onderaan tot boven; Dat was haar uitverkorenheid, zo wilde zij geloven. Vaak bleef zij wachten om de hoek, op de begane grond,

Totdat de roltrap leeg was en geen mens er meer op stond. Dan sprong zij hoopvol op de trap, begon omhoog te stijgen, En haalde dan soms haast de top o, om wat van te krijgen: Want altijd, altijd ging het mis, dan kwam er iemand aan En ging nog voor zij boven was ook op de roltrap staan. Dan was het weer vergeefs geweest, dan telde het niet meer, Dan moest zij naar 't begin terug, dan moest het nog een keer. Tot eindelijk op een koopavond, toch nog vrij onverwacht, De ongestoorde roltraptocht volledig werd volbracht. Er viel een doodse stilte. Maar 't duurde niet erg lang Of overal barstte jubel los, en meerstemmig gezang; Er zwaaiden vlaggen overal, en overal klonken bellen, En zie, daar kwam de directeur blij zijn kantoor uit snellen: Mejuffrouw toch, riep hij geroerd, dit is een groot moment, Ach zegt u mij dan toch uw naam, ach maakt u zich bekend! Nee, zei het meisje toen, daar moeten wij voor waken; Ik wou bewijzen dat het kon, mijn naam doet niet ter zake.

Als regendruppels op een ruit.

    • Rudy Kousbroek