Pronk wil veel met smalle marges

DEN HAAG, 21 sept. Minister Pronk geeft het dilemma over het toekomstige ontwikkelingsbeleid zelf duidelijk aan. In zijn omvangrijke nota 'Een wereld van verschil' die gisteren naar de Tweede Kamer werd gestuurd, staat dat niet meer kan worden gesproken van Derde wereld, Tweede wereld en Eerste wereld. Door moderne communicatie en transport en door de gevolgen van economische ontwikkeling gaat het nog maar om 'een wereldwijd dorp. Dat gigantische dorp heeft een gestaag uitdijende achterbuurt en heeft nog geen voorzieningen kunnen treffen voor zijn straatkinderen', schrijft Pronk.

Daarom zijn de marges voor nationaal beleid smaller geworden. De minister wil meer samenwerken met multilaterale organisaties, meer aan regeringen en lokale organisaties aan de basis in ontwikkelingslanden zelf overlaten en stimuleren dat de Verenigde Naties op den duur voor een internationale verzorgingsstaat garant staan. Voor die verregaande plannen moet eigen beleid wijken.

Maar in dezelfde nota kondigt Pronk vier speerpunten aan die zijn beleid zullen bepalen: milieu, verbetering van de positie van de vrouw in ontwikkelingslanden, bestrijding van armoede in steden en bevordering van onderzoek en technologie. Hij breidt het aantal landen uit waaraan Nederland hulp gaat geven (Ethiopie, Oeganda, Namibie, Chili en de landen langs de rivier de Mekong, waaronder Cambodja). De particuliere medefinancieringsorganisaties krijgen meer armslag.

Raakt, zo vroeg een aantal fracties in de Tweede Kamer zich onmiddellijk af, het beleid dan nog niet verder versnipperd? Hoe die nieuwe speerpunten aan de man te brengen, terwijl in dezelfde nota wordt opgeroepen om meer verantwoordelijkheden bij de ontwikkelingslanden neer te leggen? India bijvoorbeeld wil graag dat Nederland havens uitbaggert en dat het ministerie van ontwikkelingssamenwerking daar voor opdraait. De Indiase regering is niet geinteresseerd in andere programma's. Die maakt zij zelf wel of niet. Naarmate de ontwikkelingsrelatie volwassener wordt moeten nieuwe invalshoeken met bescheidenheid worden gebracht, zonder bevoogding. Dat stadium zijn de zich snel ontwikkelende landen allang gepasseerd. Dat geldt ook voor Indonesie en de grotere landen van Latijns Amerika.

De duidelijke lijn die minister Pronk nu in zijn nota heeft uitgezet zou coordinatie in multilateraal verband kunnen bemoeilijken. IMF en Wereldbank leggen zeer harde aanpassingsnormen op tafel in ontwikkelingslanden. Dat gaat soms ten koste van de allerarmsten in die samenlevingen, maar zij zien geen andere remedie. Wil Nederland die aanpak dan doorkruisen, zo vragen experts zich af, zoals Pronk bij zijn aantreden in november suggereerde? Dat geeft een tweede moeilijkheid aan. De Nederlandse opstelling in vergaderingen van Wereldbank en IMF behoort tot de competentie van de minister van financien. Het primaat voor het mensenrechtenbeleid ligt bij de minister van buitenlandse zaken. Hoe kunnen beleidsvisies beter op elkaar aansluiten nu minister Pronk in zijn nota zulke vaste denkbeelden over een nieuwe internationale economische orde en over het naleven van mensenrechten heeft neergelegd? Hij wil immers landen met een goed beleid op die terreinen belonen en hulp aan landen die achterblijven ophouden of inhouden? Krijgt Indonesie straks van twee Nederlandse ministers, die van buitenlandse zaken en ontwikkelingssamenwerking, twee verschillende standpunten te horen, net als dit voorjaar, toen Nederland verontwaardigd reageerde op de tenuitvoerlegging van doodvonnissen? Pronk wijst op de noodzaak van coordinatie tussen donorlanden onderling en tussen donoren en multilaterale organisaties. Wordt die coordinatie niet bemoeilijkt door zo'n uiterst ambiteus plan als in de 521 pagina's dikke nota wordt voorgesteld? Zijn de Scandinavische landen, waarmee Pronk in zijn eerste termijn als minister zo innig samenwerkte, Canada en Australie niet van die weg afgeweken en leggen al deze landen nu niet meer de nadruk, net zoals wij zelf in Suriname doen, op rigide aanpassingsprogramma's, exportbevordering en controle? Waren juist daarom de medefinancieringsorganisaties in een eerste reactie op het plan niet sceptisch over een internationale consensus die Pronk ziet groeien voor toekomstig beleid? Samenwerking met donorlanden wordt overigens in de nota niet uitgewerkt en onduidelijk is met wie Nederland dan wil samenwerken.

Voor het intellectuele denkwerk bestaat in de Kamer veel waardering. Weinig ministers zijn in staat om in zo'n korte tijd hun beleid uiteen te zetten, al vraagt Pronks visie dan wel heel veel pagina's en manuren. Toch blijven een aantal woordvoerders van de politieke partijen (CDA, VVD, D66) met de vraag zitten of in 'Een wereld van verschil' het betere niet de vijand van het goede zal worden. Hoe de continuiteit van het Nederlandse ontwikkelingsbeleid te handhaven, de doorzichtigheid en de controle te bevorderen terwijl zoveel nieuwe ideeen worden gepresenteerd?

    • Willebrord Nieuwenhuis