Pronk blijft Pronk

AAN HET EIND van een tijdvak van tien jaar is bij herhaling geconstateerd dat ontwikkelinsgshulp onvoldoende heeft gewerkt. De bevolking van de armste landen raakt steeds verder achterop. De economische ontwikkelingen komen slechts ten dele aan de landen die zich bevrijd hebben uit hun koloniale verleden ten goede. Nu is er opnieuw tegenslag. De aandacht voor de ontwikkelingen in Oost-Europa en de recente Golf-crisis, met een verdubbeling van de olieprijs in enkele weken tijd, verontrust de ontwikkelingslanden in hoge mate. Zij waren al eerder gealarmeerd omdat Wereldbank en IMF stringentere aanpassingsprogramma's oplegden voor nieuwe financiering en donorlanden meer de nadruk gingen leggen op het effect van hulpverlening.

In zijn nieuwe beleidsplan 'Een wereld van verschil' noemt minister Pronk de marges voor nationaal beleid kleiner. De internationale gemeenschap raakt steeds meer onderling afhankelijk, 'de wereld een wereldwijd dorp'. Nederland wil daarom zijn ontwikkelingsprogramma's meer in multilateraal verband onderbrengen. Dat klinkt allemaal logisch, maar tezelfdertijd wil Pronk bilateraal aan meer onderdelen aandacht besteden: milieu, vrouwen, stedelijke armoede, technologie. Ook het aantal landen dat Nederlandse hulp krijgt wordt uitgebreid. En wie alle cijfers goed leest in de bijlage van de nieuwe dikke nota merkt dat hulp van land tot land hoog in het Nederlandse vaandel blijft.

ONLANGS VROEG prins Claus, adviseur van minister Pronk, zich in deze krant terecht af of dat 'made in Holland' nog wel zo adequaat was. Moet uitwerking van beleid niet meer ter plekke samen met andere donoren en multilaterale instellingen worden bepaald? Zo komen ontwikkelingslanden sneller af van de bevoogding die zij nog steeds ervaren. In Pronks nota wordt weliswaar gezegd dat uitvoering van beleid meer ter plekke gestalte moet krijgen en dat Den Haag zich meer moet bezig houden met beleidsvoorbereiding, coordinatie en controle. Maar intussen wordt de staf in Den Haag dit jaar uitgebreid met zestig plaatsen, volgend jaar nog eens met veertig. En dat terwijl bijvoorbeeld ministers in Bangladesh kreunen onder de tachtig Nederlandse missies die er per jaar arriveren om te inspecteren en te overleggen en het gastheerschap van zoveel ontwikkelingstoerisme daar een dagtaak is geworden.

Het draagvlak voor ontwikkelingshulp uit de jaren tachtig is ook in Nederland wat smaller geworden. De aandacht werd wat verlegd. Was het geven van ontwikkelingshulp (6.4 miljard gulden in 199l) eerst vooral een zaak van het geweten, steeds meer werd de vraag gesteld of die miljarden guldens ter plekke ook iets opleverden. Zetten die talrijke programma's in zovele landen tegelijk wel voldoende zoden aan de dijk? Waarom haakten gelijkgezinde landen die hulp gaven, zoals Canada en de Scandinavische landen, af en zochten zij hun heil bij multilaterale programma's en exportsteun voor eigen produkten? Waarom zoekt Nederland dan toch nog zozeer bilateraal zijn weg? De cynicus die vermoedt dat dit ook weleens iets te maken zou kunnen hebben met het agglomeraat van ontwikkelingsinstellingen en -belangen in Nederland, wordt niet overtuigend van repliek gediend. Wat was nou het eigenlijke bezwaar tegen een multilaterale aanpak met machtige instellingen als de Wereldbank in het centrum? Die kunnen een vuist maken, corrupte elites in de ontwikkelingslanden vermanen en hebben een lange adem. Het ministerie hier zou dan met een aanzienlijk geringere bezetting kunnen zonder dat het de financiele omvang van zijn ontwikkelingsinspanning zou hoeven aan te tasten.

IN 'Een wereld van verschil' ontkomt men niet aan de indruk dat Nederland er op uit is de wereldeconomie te herstructureren. Dat is een mooi en ambitieus plan. Maar wie krijgt Den Haag mee, te beginnen in de Europese Gemeenschap? Het omvormen van de Verenigde Naties tot een instituut ter bevordering van een internationale verzorgingsstaat is al even ambitieus. De vraag is of Nederland wel in staat is om deze vergaande plannen voor een eigen ontwikkelingsbeleid in dat wereldwijde dorp waar Pronk van spreekt ook van kracht te laten zijn. Conclusie na lezing van dit magnum opus: Pronk II is heel anders dan Pronk I, maar het blijft Pronk.