Onze wortels zaten diep in de villawijk

'Ik doe in die film wat ik als Boudewijn de Groot zou doen. Ik speel de situaties, niet de figuur, ' definieert Boudewijn de Groot (1944) zijn hoofdrol in Let the Music Dance. In die film, een van de nieuwe films die 'ontwerper-regisseur' Pim de la Parra tijdens de Nederlandse Filmdagen presenteert, geeft hij gestalte aan Adam Adamus, een in de muziek rijk geworden musicus en voormalig jeugdidool. Vermoeid vertoeft deze Adam tussen zijn muren vol gouden platen. Hij wordt nagejaagd door verschillende vrouwen (meestal verliefde lastpakken) en kampt dankzij jaren financieel wanbeheer met een onbegrijpelijk hoge belastingaanslag. De oplossing van al Adams problemen lijkt af te hangen van een eervolle en vooral lucratieve opdracht: de compositie van het Europese volkslied dat in 1992 de naties emotioneel zal moeten verenigen. Allengs ontdekt hij dat hij zich inzet voor een onmogelijke taak. Europa ontbeert een gemeenschappelijke cultuur, het spreekt zelfs niet een taal en een Europees volkslied is onbegonnen werk. Maar misschien formuleert collega Vinnie Heretent (een anagram van de naam van popmusicus Hennie Vrienten die dat rolletje speelt) wel Adams pijnlijkste probleem. Ze zitten samen achter de piano. Adam pingelt het ene deuntje na het andere thema. 'Alles klinkt cliche, ' zegt Vinnie Heretent, en hij heeft gelijk.

Boudewijn de Groot is onderhevig aan de tijd, net als iedereen. Zijn haar is nu grijs, zijn kaken versmald, maar denkt zijn publiek aan hem, dan heeft het onherroepelijk een beeld voor ogen dat uit de jaren zestig stamt. De Groot verklaarde op zijn eenentwintigste zijn wilde haren al verleden tijd ('Na eenentwintig jaren in dit leven/ maak ik het testament op van mijn jeugd'). Hij stortte zich in de flower power (Picknick, 1967: '... sluit je ogen/ pluk een bloe-hoem') en, gekleed in Satanspij, in de hippie-mystiek (Nacht en ontij, 1968). In 1973 maakte hij een volwassen comeback met Hoe sterk is de eenzame fietser. En toch roept zijn naam voornamelijk associaties op die worden ge'kleurd' door de zwartwit-televisiebeelden van de tweede helft van de jaren zestig. We zien een sombere, nauwelijks bewegende jongen boos staan zingen, de ogen van boven en opzij afgeschermd door plat geborstelde zwarte krullen. Hij keert zich tegen een staatshoofd van een bevriende natie: 'Schrik maar niet teveel van al die dooie mensen/ droom maar van de overwinning en van macht/ droom maar niet van al die vrome vredeswensen/ Meneer de President, slaap zacht!'; en tegen ontrouwe vriendinnen: 'Maar jij denkt alleen maar aan je eigen heil/ jij denkt alleen maar aan je eigen zaken/ en dat is toch beneden alle peil'. Pure melancholie kon ook: 'Zo te sterven op het water/ met je vleugels van papier'. Of, intiemer: 'Als ik groot ben wil ik even/ groot en sterk zijn als de rest. / De poes vindt van niet. / Hij zegt 'ik kan hem niet verstaan'/ Als ik groot ben is dat van de baan/ want grote mensen praten niet met poezen'. We wisten, gekluisterd aan onze transistor-radiootjes, allemaal dat De Groot niet verantwoordelijk was voor de teksten die we zonder haperen konden meezingen. We kenden de naam Lennaert Nijgh als schrijver van de liedjes. Maar De Groot zong ze. Hij gaf ze niet alleen hun muziek, hij bepaalde hun uiterlijk met zijn monotone geluid, zijn strakke gezicht, zijn stramme houding. Hij bepaalde hun sfeer en het was zijn image dat ermee samenviel. En hij deed dat zo sterk dat generaties teenagers-van-toen het nooit meer zullen vergeten.

Maas en Waal

De Groot is tegenwoordig hoofdzakelijk vertaler van Engelse detective-romans, maar hij gaat nog steeds af en toe het podium op om voor een trouw publiek behalve wat nieuw werk, ook de oude bekenden ten gehore te brengen. Hij voert dan een lied als 'Het land van Maas en Waal' in exact dezelfde toonsoort en hetzelfde tempo uit als ruim twintig jaar geleden. Dezer dagen komt er een verzamel-cd van oude hits uit, de derde alweer, en er gaat een film in premiere waarin hij een ouder geworden liedjeszanger vertolkt van wie zelfs de belastinginspecteur een gewezen fan is. Er is voor hem dus geen ontkomen aan het verleden, maar Boudewijn de Groot vindt het onnodig woorden vuil te maken aan de periode waarin hij zijn faam vestigde. Komt die tijd ter sprake dan leunt hij achterover en kruist zijn armen. Nu en dan laat hij zich verleiden en gaat hij er zijns ondanks uitvoerig op in. Meermalen raakt hij geirriteerd. Zijn bovenlip verstrakt: 'Ik vind dit heel vervelend'.

Hij verzet zich fel wanneer ik een directer verband dan alleen uiterlijk leg tussen hem en de filmfiguur Adam Adamus. Er zijn overeenkomsten, zeker, maar: 'Ik had ook een Peter Koelewijn van hem kunnen maken, een Pierre Kartner of een Peter Schat. Ik heb gekozen voor iemand zoals ikzelf, omdat ik bang was tekort te schieten als acteur. Een verdere parallel ontken ik. Adamus leunt niet tegen de autobiografie aan. Hij is zo internationaal bekend dat hij het Europese volkslied mag schrijven, dus hij moet zich stukken commercieler hebben opgesteld dan ik. En hij is miljonair. Dan moet hij veel meer een broodschrijver zijn dan ik ooit ben geweest. ' Hij realiseert zich dat de makers van Let the Music Dance speculeren op het verleden dat hij meedraagt, maar hij weigert zelfs maar zich af te vragen of de rol al bestond voordat hij zijn medewerking had toegezegd.

Hoe kwam die afspraak dan precies tot stand? 'Het begon met een weddenschap. Ik hoor tot het gigantische arsenaal vrienden dat Pim de la Parra erop nahoudt en dat een soort communicerend vat is met een even groot arsenaal vijanden. Ik heb zijn films gevolgd, en voor zijn Lost in Amsterdam produceerde ik de muziek. Je kent de films van Pim: er zit heel veel seks in, telkens weer zie je die gozers bezig op blote vrouwen. Ik vroeg hem hoe vaak het gebeurt dat acteurs een erectie kregen en of dat dan niet genant is. Hij beweerde dat dat nooit voorkwam. Ik zei, Pim, hoe kan dat nou, dat gebeurt toch al als je op je buik op het strand ligt. Maar hij bleef pertinent ontkennen en tenslotte hebben we gewed. Hij zou mij ooit een rol geven en dan zouden we zien wie er gelijk had. Enige tijd later hing hij aan de telefoon: of ik in een van zijn films wilde spelen. Ik stemde meteen toe, voor ik wist wat ik moest spelen het zou toch al te decadent geweest zijn om nee te zeggen. Om die weddenschap bleek het niet meer te gaan en ik kreeg geen scene waarmee ik mijn stelling kon bewijzen. Helaas. Misschien krijg ik nog een keer een kans.'

Kuis

De Groot kende Pim de la Parra nog van de Filmacademie in Amsterdam, die ze begin jaren zestig als klasgenoten doorliepen. De Groot was er eigenlijk per abuis terecht gekomen: 'Ik was geimponeerd door het filmsterrendom, ' herinnert hij zich. 'Ik spaarde filmsterrenplaatjes en ik wilde zelf ook filmster worden, met de nadruk op -ster. Ik wilde naar Hollywood en horen bij de filmhelden die ik kende uit de bioscoop. Mijn vrouwelijke favoriet was Jean Simmons. Leuk maar heel kuis. Ze herinnerde me aan vroeger. Ze straalde iets uit dat de vrouwen uit mijn familie ook hadden.' Bij de mannelijke sterren genoot Glenn Ford de voorkeur van De Groot, 'want die had net zo'n besmuikte glimlach als ik zelf'. Eenmaal op de Filmacademie stapte hij gauw van die verering af. 'We waren achttien, negentien jaar oud, en filmsterren-verering was kinderachtig. Bovendien werd ik 'modernist', net als iedereen. Modernisten deden Hollywood af als commerciele plastic. Wij hielden van de films van Godard, Vadim en Resnais. Gingen we naar toneel dan zagen we Sartre, Ionesco, Genet en Claus. We lazen Campert, Mulisch en Philip en de anderen van Cees Nooteboom. Boven onze zwarte coltruien droegen we groene regenjassen, met de kraag en eventuele capuchon naar binnen geslagen en alleen de bovenste knoop gesloten. De jeugd is reactionair. Rebellie is toegestaan en zelfs verplicht, maar alleen binnen een groep en ik wilde graag ergens bij horen.

Ik luisterde officieel naar jazzmuziek, naar Miles Davis en Sonny Rollins. Ik vond dat werkelijk mooi, maar stiekem hield ik ook veel van rock 'n roll, van Little Richard en Buddy Holly. Ik kon niet kiezen. Met film was het hetzelfde. Zondagmiddags deed ik een jack aan. Ik kamde mijn haar uit mijn gezicht en propte het achter mijn oren. Dan ging ik in Haarlem naar de buurtbioscoop Roxy om, tussen de vetkuiven, de B-films te zien.' Je verschijnt nu zelf als acteur op het bioscoopdoek. 'Ik kan niet beoordelen hoe geslaagd dat is. Terwijl ik het speelde dacht ik dat er iets van me uit ging, maar daar bleef in de film weinig van over. Ik vind dat Adam Adamus nogal vaag blijft. Ik krijg er geen gevoel bij, ik blijf onherroepelijk mezelf zien en kan niet mee gaan met die figuur.' Ik vond het geslaagd. Pop- en jazz-musici lijken geboren acteertalenten. Jij, Hans Dulfer, Hennie Vrienten, Ben Cramer, in Let the Music Dance acteren jullie allemaal even ontspannen, bijna achteloos. En jullie zijn niet de enigen. Kijk maar naar de filmrollen van Tom Waits, Mick Jagger en Dexter Gordon. 'Dat gemak voor de camera hangt samen met onze podiumervaring. We zijn eraan gewend te worden bekeken. Zelfs nog meer dan toneelacteurs, want pop-musici brengen verhaaltjes en gevoelens over of ze oprecht en van henzelf zijn. Ze hebben thuis een blozend gezinnetje, maar ze zingen niet minder aangedaan over een verloren liefde.'

Adam Adamus had een grote cynicus kunnen zijn, maar jij maakt van hem een op zijn onvrede broeiende romanticus. 'Ik heb geprobeerd om hem cynischer te maken maar daar kwam weinig van terecht, al was het maar door de zuinigheid van De la Parra's minimal movies. Elke scene was alleen omschreven, de dialogen bedachten we ter plekke. Er werd drie keer geoefend en dan in hooguit drie takes opgenomen. Maar liever in een keer. Ik kreeg weinig ruimte voor experimenten, ik moest het personage naar mezelf toetrekken. En ik ben niet cynisch, zeker niet tegen vrouwen. Niet Adam, maar ik probeer aardig te zijn en zacht.' Geldt dat ook voor de manier waarop je songs interpreteert? 'Nou, Lennaert Nijgh is net zo min cynisch als ik. Hij denkt in hardere taal dan hij zich daadwerkelijk uitdrukt. Teksten schrijven is meer denken dan je uiten. Al zijn liedjes over meisjes richten zich in monoloog tegen hen, maar ze zijn beslist niet hardvochtig bedoeld.'

Overlevenden

Het programma van de Nederlandse Filmdagen bevat, behalve de premiere van Let the Music Dance, de korte film Voor de overlevenden. Filmacademie-leerling Geert de Bruin studeerde onlangs af met deze documentaire over Boudewijn de Groot en Lennaert Nijgh. De Groot maakt bezwaar tegen de titel ('Overlevenden van wat? Ik ben helemaal geen overlevende'), maar hij vindt dat hij in die film beter 'acteerde': 'Daar zag ik veel meer terug van wat ik voelde toen het gefilmd werd. En ik stond verbaasd over het oude materiaal waar De Bruin mee aankwam. Die uitreiking van de gouden plaat door Mies Bouwman voor onze lp 'Voor de overlevenden' was ik compleet vergeten. Lennaert vond ik ontwapenend. Die is zo veranderd, ik was vergeten dat hij ooit zo jong was. Het was een soort nieuwe kennismaking, een ontmoeting met onze jeugd.' Wat zag je, toen je naar dat fragment keek? 'Twee kwajongens. Studentikoze gabbertjes, duidelijk hoorbaar afkomstig uit een gegoed milieu. We namen met opzet een enorme afstand tot Mies Bouwman en we dreven de spot met die gouden plaat. Je ziet ons uitdrukkelijk denken, wat is dit, hier staan we ver boven.

Dat lijkt schokkender dan het was, want het hoorde bij ons imago. De platenfirma Phonogram ging gekleed in streng driedelig grijs, maar men had het beslist niet goedgekeurd wanneer we tegen Mies Bouwman hadden gezegd, o wat enig, die gouden plaat hangen we boven ons bed en we zullen er elke avond voor bidden. We waren pseudorebellen, onze wortels zaten duidelijk diep in de Aerdenhoutse VVD-villawijk. Had een groep als The Outsiders precies hetzelfde gezegd en gedaan, dan was dat veel harder aangekomen.' Jullie ondergaan in dat fragment alle lof opvallend weinig aangedaan. 'Ons succes verbaasde ons ook niet zo, het bevestigde eenvoudig wat iedereen had voorspeld. Ik kwam net van de Filmacademie. We hadden drie singletjes gemaakt, heel puur, zang met gitaar. Zwaar geinspireerd door Jaap Fischer en nogal schenenschopperig. Het eerste plaatje heette bijvoorbeeld 'Elegie prenatale' en het ging over buitenechtelijke kinderen. Het sloeg niet aan.

Jaap Fischer was er al, hij werd gekocht door een vaste, beperkte, kring jongeren die zaten niet te wachten op onze plaatjes. En voor het grote publiek was er geen reden om op onze muziek te vallen. Toen werd ons de keus gesteld door de platenmaatschappij: of jullie houden op, of jullie geven een keer toe aan de smaak van het grote publiek, dat wil zeggen jullie nemen een liedje op met een gemakkelijker tekst en met begeleiding van een orkest. Dan worden jullie een succes en daarna kunnen jullie doen wat je wilt.' Ze gingen op het aanbod in en streefden naar 'een huwelijk tussen het kwasi-intellectualisme van het Franse chanson en het brute geweld van de popmuziek'.

Nijgh vertaalde het 'Meisje van zestien' ('een smartlap, maar toch van Charles Aznavour'), De Groot zong het, begeleid door elektrische snaarinstrumenten en drums ('we hadden ons altijd verzet tegen dat elektrische geweld, maar ik vond het best lekker gaan, met zo'n orkest'). Het werd zijn eerste hit en De Groot incasseerde die of het zijn goeie recht was: 'Ze hadden het beloofd, dus ze moesten wel'.

Protestzanger

Na dat succes was er inderdaad meer mogelijk. Tegendraadse nummers, brutale teksten, politieke liederen. Vanaf 'Meneer de President' (in 1966) werd De Groot geklassificeerd als 'protestzanger'. Onzin, vindt hij. 'Ik wilde niet protesteren, ik wilde mooie liedjes zingen, verder niet. Ondanks mijn principes en mijn afkeer van commercialiteit vond ik alles best als het ging om een liedje dat me beviel. Zo zag niemand iets in 'Het Land van Maas en Waal'. Het werd al helemaal niet beschouwd als potentiele carnavalshit, want zoiets was ver beneden onze stand. Het stond op een lp en er zou geen single van worden gemaakt. Toen werd me gevraagd mee te werken aan het televisieprogramma op oudejaarsavond en wel als laatste gast voor middernacht. Ik koos 'Het land van Maas en Waal'. Niet om het te pushen, maar het was het vrolijkste liedje van onze verder sombere, nieuwste plaat. Je hield nu eenmaal beleefd rekening met het programma waar je in verscheen, dat was in die tijd [1967] zo. Ik zong dat nummer net voor twaalven, en iedereen zong mee: hoedjes, toeters, polonaise en het inderhaast geperste singletje lag net op tijd voor carnaval in de winkels. Heus, het stond me tegen om van mijn geloof af te vallen, maar aan de andere kant deed dat vallen niet zo'n pijn.' En met een omweg werd je toch nog een Ster, al was het dan in de muziek en niet als acteur. 'Nee, dat lag niet zo. We wilden niet horen bij Willeke Alberti, Anneke Gronloh, Johnny Lion of Rob de Nijs. We streefden naar even veel succes als zij om te bewijzen dat er met de Nederlandse taal wel wat beters te doen was dan 'Brandend zand' of 'Ritme van de regen'. Pas veel later, toen de zogenaamde lichte muziek was overwoekerd door het hitparade-virus bleek het nadeel van onze capitulatie: levenslange gevangenschap achter de tralies van de commerciele muziek.' De Groot begint zich weer te ergeren. 'Wat heeft dit nu met Adam Adamus te maken?' Alles, denk ik. Ik geloof dat die rol sterk naar jou gemodelleerd is.

We kibbelen erover of dat personage ook te lijden heeft onder het hitparade-virus, in hoeverre het af wil rekenen met zijn verleden en of het daar al dan niet last van heeft. Hoe meer we van jouw carriere weten, des te beter kunnen we Adam Adamus begrijpen. 'Ik heb die rol nooit zo gezien en ik geloof niet dat je gelijk hebt. Omdat ik 'm speel zullen de mensen onherroepelijk die vergelijking trekken, maar ik zie geen reden voor een parallel tussen Adam Adamus en Boudewijn de Groot.' Let the Music Dance is tijdens de Nederlandse Filmdagen, in Utrecht, vanavond te zien (22u, Rembrandt 1), zaterdag 22/9 (23u, Rembrandt 1) en zondag 23/9 (12u, City). Verder wordt hij vertoond in bioscopen in Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Delft en Hilversum.

De documentaire Voor de overlevenden wordt tijdens de Nederlandse Filmdagen vertoond op zaterdag 22/9 (15.45u, 't Hoogt 2) en woensdag 26/9 (11.30u, Theater 't Hoogt).