Oase op het kerkhof; Jerome Charyn over New York

Metropolis is het boek voor mensen die denken alles over New York te weten. Jerome Charyn schrijft over het New York dat je niet ziet zelfs als je er woont, en hoofdzakelijk over het New York dat zich daar weer onder verschuilt. Het New York van de mythes en de politieke bosses en de golfbewegingen van de etnische groepen en de immigranten met hun Ellis Island-trauma; hij schrijft over de macht van het geld en de legendes en de strijd om het dagelijks bestaan. Hij schrijft over mensen als Ed Koch en Robert Moses en Mary Boone maar ook over fictieve personen als David Levinsky en Charlie Chan en over mensen als Samuel 'Roxy' Rothapfel die bijna een fictie zijn alhoewel ze echt geleefd hebben. Hij schrijft chaotisch en geemotioneerd en lijkt voortdurend meer op te rakelen dan hij aan kan; hij polemiseert en associeert om redenen die en op manieren welke niet altijd even helder zijn; maar het resultaat is dat de geduldige lezer New York bij volgende bezoeken nooit meer met dezelfde ogen zal zien.

Charyn zelf groeide op in een bij bezoekers buitengewoon impopulair stuk New York: een getto in de Bronx dat Morrisanie werd genoemd en waar zwarten en Ieren woonden en joden en Italianen; maar dat was in romantischere tijden, toen de Zuid-Bronx nog bewoonbaarder was dan Beiroet en toen ook Ed Koch er nog woonde, lang voor hij burgemeester werd van New York.

Charyn is op een curieuze manier gefascineerd door zijn buurtgenoot, die inmiddels alweer burgemeester af is, maar die door de schrijver als een soort rode draad door het boek wordt geweven, 'golemburgemeester in een golemstad', 'rattenvanger van New York', King Koch die volgens Charyn juist de essentie personifeert van de stad waarover hij heerste. 'Ik had dit boek niet af kunnen maken als Koch niet met New York getrouwd was en onze 105de burgemeester was geworden', schrijft hij en hij geeft keer op keer van zijn bewondering blijk, juist vanwege die eigenschappen dat andere mensen zo in Koch haatten: zijn straatvechterij, zijn grootspraak, zijn soms stuitende platvloersheid.

Opzichter

Maar Charyn heeft een goed oog voor de Newyorkers die minder opzichtig waren en toch een duidelijker stempel op de stad achterlieten. Zoals Robert Moses bij voorbeeld, die zich als Opzichter van de Parkendienst omhoog vocht tot een soort tweede burgemeester naast La Guardia en die het huidige New York vorm gaf zoals geen burgemeester dat deed. Robert Moses, 'de makelaar in macht' zoals zijn biograaf hem noemde, die in de lift zijn hoed afnam voor dames en wiens erfenis in New York misschien nog wel het langst zichtbaar zal blijven in de vorm van kleine, driehoekige pleintjes en parkjes, 'stukjes en beetjes die waren overgebleven van een of andere aankoop.' Charyn beschrijft niet zozeer de succesverhalen van de stad als wel de mensen die de stad het best aanvoelden en daarmee hielpen creeren. 'Dit is geen stad voor langzame groei', schrijft hij, in navolging van Nathanael West. 'Hier beginnen ook carrieres met een explosie. De ene generatie bedekt de andere met een angstaanjagende laag afval totdat New York op een enorme archeologische begraafplaats lijkt en we onze stad laag voor laag moeten doorzoeken naar wat er van het verleden over is.'

En daar worden Donald Trump en Madonna opgevoerd, en Mary Boone en haar prijsdier Julian Schnabel maar ook de jongste generatie post-punk artiesten die Alphabet City leefbaar hebben gemaakt en bejaarde bedenkers van neon-reclames en de opvolger van Robert Moses, Henry Stern, 'die in een oranje regenpak alle parken van elke deelgemeente bezoekt en ze allemaal weer groen maakt.' Het moderne New York, schrijft Charyn, komt rechtstreeks voort uit Ellis Island, het immigratiestation op een eilandje naast de zuidpunt van Manhattan dat voor 17 miljoen immigranten de, niet zelden traumatische, eerste kennismaking met Amerika was. 'Die redenering', zo voegt hij eraan toe, 'kan het vooroordeel van een immigrantenzoon zijn maar het is ook een perfecte manier om een stad te begrijpen die zo gevarieerd en zo dichtbevolkt is, dat zij van minuut tot minuut in tegenspraak met zichzelf is, de meest Europese van alle Amerikaanse steden en de meest Amerikaanse van alle steden ter wereld.'

Hij schrijft over de buurten op een manier die je bijna de stad doet ruiken, over Broadway en Hell's Kitchen en Chelsea, 'half geciviliseerd, half achterbuurt... een opwindend mengelmoesje op straat, het gevoel van culturen die tegen elkaar aanwrijven, gourmetwinkels en latino kruideniers.'

Vormen van misdaad

Hij schrijft over de Werdegang van de buurten en de bufferzones en de etnische groepen die de heerschappij over die buurten bevechten. Hij schrijft de geschiedenis van de joden en de Italianen en de Ieren en de Chinezen op zijn eigen razende en van mythologieen doortrokken manier; over hun eigen vormen van misdaad ('zij verbond de politiek met de armen') pakt hij wel heel kleurrijk uit, vanuit het voor ons Europeanen nog steeds zo onwennige uitgangspunt dat misdaad en politiek in essentie dezelfde strategieen en methoden en principes hanteren, waarbij de een zich door de wet gedekt weet en de ander niet. En over alle grensgebieden tussen die twee domeinen, dat van de speculanten bij voorbeeld die huurhuizenblokken omzetten in koopappartementen en waarvan er een in eigen woorden wordt geciteerd: 'De huurders worden er allemaal uitgejaagd. Zij zullen in oostelijke richting naar de rivier gedrongen worden en het met een reddingsvest moeten doen.' Charyn lijkt zich voortdurend bewust van het feit dat hij bezig is met het onmogelijke: een stad te definieren die zich niet laat definieren, een geschiedenis te schrijven die zich niet laat schrijven. Dan weer denkt hij de formule gevonden te hebben in een analogie met een van Calvino's Onzichtbare Steden, en wel Raissa ('stad van droefenis... waarin een onzichtbare draad loopt die het ene levende wezen voor een moment met het andere verbindt om dan weer los te laten; dan weer spant hij zich tussen twee bewegende punten en beschrijft weer nieuwe en snelle patronen, zodat de ongelukkige stad op elk moment een gelukkige stad bevat die zich niet van haar eigen bestaan bewust is'); en dan weer ziet hij de toekomst van New York als een oase, of beter gezegd: een gevangenishotel voor de zeer rijken, 'omringd door steenwoestenijen, zonder bewegingsvrijheid voor de jongeren en de armen, en zonder refugies.'

En met die totale collage van mislukte en geslaagde pogingen lijkt hij uiteindelijk dat onmogelijke behoorlijk te benaderen en wordt Metropolis, met zijn mengeling van autobiografie en mythomanie, van rusteloosheid en speurzin, een boek als zijn onderwerp zelf. 'Ik heb aan dit boek gewerkt sinds ik vijf was', schrijft Charyn, en uit elk hoofdstuk blijkt dat dat maar een heel klein beetje een overdrijving is.