Luiken dicht, de Keizer komt voorbij; Expositie van Chinese Hofkunst in Rotterdam

Afgelopen zaterdag werd in het museum Boymans-van Beuningen de tentoonstelling De verboden stad geopend. De tentoonstelling laat schilderingen, hofkleding en regalia zien uit het Paleismuseum in Peking, het voormalige paleis van de keizers van China, ook wel de Verboden Stad genoemd. De verboden stad is de eerste grote tentoonstelling uit China in Nederland sinds Opgegraven schatten uit de Volksrepubliek China, in 1974-75 gehouden in het Rijksmuseum. Van de komst van een belangrijke Chinese tentoonstelling naar Nederland was al vanaf begin 1985 sprake. In het buitenland waren al diverse grote tentoonstellingen uit China gehouden. Nederland had, na de normalisering van de door de duikbootaffaire vertroebelde politieke betrekkingen met China in 1984, wat in te halen.

Vanaf het begin waren er twee serieuze kandidaten voor de tentoonstelling: het Rijksmuseum in Amsterdam en het museum Boymans-van Beuningen in Rotterdam. Het Rijksmuseum is het enige museum in Nederland met een aparte afdeling Aziatische kunst en herbergt een belangrijke collectie Chinese kunst. Het Boymans bezit op het gebied van de Chinese kunst noch een collectie, noch specialistische kennis, maar kent wel een respectabele traditie in het organiseren van spectaculaire, oogstrelende en publiektrekkende tentoonstellingen zoals Goden en Farao's en Het goud der Thraciers. In het voorjaar van 1987 werd bekendgemaakt dat de Chinese tentoonstelling in het museum Boymans-van Beuningen zou worden gehouden.

De belangstelling van meerdere musea voor deze tentoonstelling is begrijpelijk. Het zou immers gaan om een tentoonstelling met een budget dat in Nederland normaal gesproken slechts voor Rembrandt en Van Gogh is weggelegd, een tentoonstelling bovendien die het beeld dat het Nederlandse publiek van de Chinese kunst heeft voor geruime tijd zou bepalen. En de Chinese kunst kent wat omvang, gevarieerdheid en historische continuiteit betreft slechts in de westerse kunst haar weerga. Zij is de voornaamste spiegel die de westerse kunst zich kan voorhouden.

Hoe de tentoonstelling er in het Rijksmuseum zou hebben uitgezien laat zich slechts raden, maar de tentoonstelling in het Boymans, dat kan hier meteen worden gezegd, is in ieder geval schitterend geworden. De verboden stad beslaat de hele bovenverdieping van de nieuwe vleugel van het Boymans. Ze is gebaseerd op twee eerdere tentoonstellingen uit het Paleismuseum: Dragon Emperor, een tentoonstelling van hofkleding en regalia die vorig jaar in Australie rouleerde; en Schatze aus der Verbotenen Stadt, die in 1985 in Berlijn is gehouden en ook in Nederland ruime aandacht heeft getrokken. Een groot aantal voorwerpen uit deze twee tentoonstellingen is in Rotterdam terug te vinden, maar er zijn ook een aantal kunstwerken in het Boymans te zien die de Verboden Stad nog nooit eerder hebben verlaten. Met name de Berlijnse tentoonstelling, een van de belangrijkste tentoonstellingen van Chinese kunst die ooit buiten China gehouden zijn, heeft het Boymans ertoe gebracht de hofkunst als onderwerp voor zijn tentoonstelling te kiezen. Dr. J. R. ter Molen, adjunct-directeur van het museum en samensteller van de tentoonstelling, heeft dat meermalen naar voren gebracht.

Gezien de aard van de collecties van het Paleismuseum zouden archeologische voorwerpen, porselein, of schilderkunst en kalligrafie alternatieve mogelijkheden zijn geweest. Maar aangezien een archeologische tentoonstelling in Nederland al eens te zien is geweest en Chinees porselein in Nederlandse musea in ruime mate aanwezig is, ging de keuze in feite tussen hofkunst en schilderkunst. De keuze voor hofkunst heeft een aantrekkelijke en belangrijke tentoonstelling opgeleverd. Natuurlijk is de hofkunst minder representatief voor de Chinese kunst als totaal en ook beperkter van omvang dan de schilderkunst (dat wil zeggen de literaten-schilderkunst) en de kalligrafie, die in China al tenminste vanaf de elfde eeuw na Chr. als de belangrijkste kunstvormen werden beschouwd. De Verboden Stad was nu eenmaal werkelijk verboden. Zij absorbeerde zelf wel invloeden van buitenaf en verzamelde kunstwerken uit het hele rijk, maar de speciale kunstvormen die binnen de ateliers van het paleis werden ontwikkeld waren voorbehouden aan de keizer en kwamen, zeker tijdens de laatste dynastie, de Qing (1644-1911), maar mondjesmaat naar buiten.

Bloei

Een van die speciale kunstvormen is de documentaire schilderkunst, veelal op groot formaat, die in de 17de en 18de eeuw tot bloei kwam. Eigenlijk heeft deze vorm van schilderkunst pas sinds de Berlijnse tentoonstelling van '85, waar een ruime selectie te zien was, meer algemene bekendheid gekregen. Het meest in het oog springen de lange rolschilderingen, soms meer dan 25 meter lang, die de reizen van de keizer door zijn rijk of ter ere van het keizerlijk hof gevierde feesten vastleggen.

Op de tentoonstelling zijn twee absolute topstukken in dit genre te zien. De eerste schildert de aankomst in Peking van keizer Kangxi na een lange inspectiereis door het zuiden van zijn land in 1689. Het is de laatste van een serie van twaalf schilderingen die in de jaren 1691-1698 door een groep schilders onder leiding van Wang Hui werden vervaardigd. De twaalf rollen hadden (er zijn er drie verloren gegaan) een totale lengte van 230 meter en waren bevolkt met tienduizenden minutieus weergegeven figuren. De rollen moeten van rechts naar links worden 'gelezen'. Ze worden op een tafel gelegd en in gedeeltes van steeds ongeveer een meter bekeken, waarna de rol wordt verdergerold. Dat nu de rol over zijn volle lengte van ruim 23 meter ligt uitgebreid is oneigenlijk gebruik, maar wel een fantastisch gezicht.

De rol begint met de in nevelen gehulde Hal van de Hoogste Harmonie, het belangrijkste gebouw in het keizerlijk paleis, en toont dan de gehele centrale noord-zuidas van Peking met al zijn vele poorten: de Middagpoort, de Poort van de Hemelse Vrede, de brede allee waar na 1949 het Tienanmen-plein overheen is gelegd, de Voorste Poort, en zo verder. Kort voor de Voorste Poort is de keizer te zien, gezeten in een eenvoudige open draagstoel. Anders dan bij de overige elf rollen beweegt het oog van de beschouwer bij deze laatste rol niet met de keizerlijke stoet mee, maar komt de stoet hem tegemoet.

Als verklaring is wel geopperd dat het niet passend zou zijn de keizer te volgen op zijn tocht door alle opeenvolgende, steeds hoger wordende poorten van Peking naar

paleis. Hij zou dan verlaagd worden tot het niveau van een van de talloze gezanten die uit alle delen van het rijk en uit het buitenland bij de keizer ter audientie kwamen. Bij deze omgekeerde leesrichting ziet de keizer, voor wie de schildering immers bestemd was, als het ware zichzelf naderen naar zijn troon in de Hal van de Hoogste Harmonie.

In de benedenstad van Peking met zijn levendige handel zijn alle winkels en werkplaatsen met luiken afgesloten. Het gewone volk mag de keizer niet zien. Alleen helemaal aan het eind, als de stoet al voorbij is, komt het leven weer op gang. Het slot van de rol wordt gevormd door een tableau vivant van vertegenwoordigers van de vier standen van het Chinese volk die te zamen vier schrifttekens met de betekenis 'Moge de keizer tienduizend jaar leven' uitbeelden. Het is uiterst geraffineerd en ook niet zonder humor hoe met name bij het derde karakter, 'tienduizend', het effect van het 'vliegend wit' van een snel getrokken penseelstreek wordt gesuggereerd: met twee over de grond slepende takkenbossen en een paar evenwijdige stokken die quasi-toevallig door een aantal figuren worden meegedragen.

Paviljoens

De tweede rol, nog langer dan de eerste, is wat later geschilderd. Zij toont de feestelijkheden bij de viering van de zestigste verjaardag van de moeder van keizer Qianlong in 1751. De straten van Peking zijn bevolkt met duizenden mensen. Overal staan tijdelijke theaterpodiums, ook zijn een aantal pronkpaviljoens opgetrokken. Zeer in het oog lopend zijn de paviljoens in Europese stijl. Het eerste daarvan heeft een klok met een grote wijzerplaat. Als je heel goed kijkt zijn de minuutcijfers te onderscheiden, in uiterst fijne arabische cijfers van 5 t/m 60 met goudverf op de blauwe ondergrond gepenseeld. Merkwaardig zijn de kruisen op dit bouwsel: kennelijk niet meer dan een exotische versiering, want het gaat zeker niet om een bouwwerk met een religieuze functie. Deze beide rollen zijn goed voor urenlang verwonderd kijkgenot. Men moet ze in het echt zien, op de sterk verkleinde reprodukties in de catalogus komen ze volstrekt niet tot hun recht. De overige getoonde horizontale rolschilderingen zijn wat bescheidener van opzet en artistiek niveau, maar altijd nog van een buitengewone documentaire waarde. Vooral de schaatsenrijders spreken hier tot de verbeelding.

Wat de hofschilderkunst van de Qing-dynastie onderscheidt van die van eerdere dynastieen is de aanzienlijke Europese invloed. In de zeventiende eeuw waren de Jezuieten tot binnen het keizerlijk hof doorgedrongen, en zij maakten met name op keizer Kangxi een grote indruk met hun wetenschappelijke kennis en hun vaardigheid in het perspectivisch tekenen. Ten tijde van keizer Qianlong (regerend van 1736 tot 1796) werkte een groot aantal Jezuietenschilders aan het hof, van wie Castiglione en Attiret de bekendsten zijn. Op de tentoonstelling is een reusachtige schildering van een militaire ceremonie te zien, die door Castiglione, Attiret en een derde Jezuiet-schilder, Sichelbart, in samenwerking met een groep Chinese hofschilders is vervaardigd.

Wat het eerst opvalt is het contrast tussen de in minutieus realisme weergegeven figuren op de voorgrond en het landschap in zuiver Chinese stijl op de achtergrond. Binnen de groep figuren valt dan weer het onderscheid op tussen de zeer plastisch geschilderde werkelijke portretten, en de veel vlakkere, anoniem schijnende gezichten van de minder belangrijke figuren. Veel mooier nog is dit contrast te zien bij twee anonieme portretten van keizer Kangxi. Het ene toont de keizer in zijn bibliotheek en is geheel in westerse stijl geschilderd. Het andere, veel kleinere portret toont de keizer als jongeling, aan een tafel zittend met het penseel in de hand, gereed om te gaan kalligraferen. Diepte en plasticiteit zijn hier op de traditionele Chinese manier weergegeven. Zuiver uit oogpunt van de schilderkunst gezien is dit kleine portret wat mij betreft het hoogtepunt van de tentoonstelling. Een tussenvorm tussen de extremen van de twee portretten van Kangxi zijn de beide grote, frontaal weergegeven staatsieportretten van keizer Qianlong en zijn gemalin aan het begin van de tentoonstelling. Ook hier zijn westerse methoden gebruikt voor het weergeven van perspectief, plooival en gelaatstrekken, maar in een afgezwakte vorm. Kennelijk wilde men niet te zeer afwijken van de staatsieportretten van keizers uit vroeger eeuwen, die nauwelijks enige dieptewerking vertonen.

Zoon des Hemels

Om overzichtelijkheid te brengen in de veelheid van aspecten die het keizerschap van China kenmerken worden in de tentoonstelling een aantal 'rollen' van de keizer onderscheiden. Het artikel 'Het keizerschap van China' door Ellen Uitzinger van het Sinologisch Instituut in Leiden, die de wetenschappelijke begeleiding en de catalogus van de tentoonstelling heeft verzorgd, geeft daarover een heel heldere uiteenzetting. De keizer als Zoon des Hemels, als hoogste magistraat, als hoogste literaat, als hoogste legeraanvoerder en als zoon en familievader al deze rollen zijn in de hierboven beschreven kunstwerken terug te vinden.

De Zoon des Hemels, dat wil zeggen de sacrale leider en hogepriester van de confucianistische staatsreligie, wordt uitgebeeld in het staatsieportret van Qianlong. De Zoon des Hemels vervult zijn sacrale rol immers al met kalm en onbewogen op zijn troon te zitten, terwijl hij middelt tussen hemel en aarde. Als hoogste magistraat vinden we de keizer op zijn inspectietochten door het rijk; als hoogste literaat, heel belangrijk in het land van de confucianistische staatsexamens, zit hij in zijn bibliotheek en kalligrafeert hij achter zijn schrijftafel. Als legeraanvoerder beloont hij zijn trouwe officieren; en als zoon en familievader zorgt hij goed voor zijn oude moeder en vergeet haar verjaardag niet.

Er is een rol die in dit schema niet aan de orde komt, en die geeft dan ook aanleiding tot de enige kritiek die men op de selectie van de kunstvoorwerpen zou kunnen hebben: de rol van de keizer als verzamelaar. De keizer als beheerder van de nationale kunstschatten is heel belangrijk; niet alleen nu, ook in de keizertijd al was de Verboden Stad een groot museum, zij het niet voor het publiek toegankelijk. De kunstverzamelingen die keizer Qianlong in de achttiende eeuw te zamen bracht, stelden die van alle eerdere dynastieen in de schaduw. Ze omvatten archeologische voorwerpen, zoals bronzen vaatwerk en jade, maar ook duizenden schilderingen en kalligrafieen uit alle tijdperken.

Belichting van ook deze rol had aan de tentoonstelling een essentiele dimensie toegevoegd. Niet zozeer vanwege de volledigheid, maar omdat op die manier althans iets van de context van reguliere kunst te zien zou zijn geweest waarbinnen de hofkunst moet worden geplaatst. Het publiek zou het bijzondere en atypische karakter van de hofkunst uit de Qing-tijd beter hebben kunnen apprecieren. Het unieke van de Berlijnse tentoonstelling, om daar nog eens op terug te komen, was nu juist dat naast de typische hofkunst ook een grote en kwalitatief zeer goede selectie werd getoond uit de keizerlijke kunstcollecties. Al waren er in het Boymans maar tien goede schilderingen en kalligrafieen en vijf mooie bronzen te zien geweest, dan zou dat de tentoonstelling nog waardevoller hebben gemaakt dan zij nu al is. Het feit dat de benodigde kunsthistorische kennis in Boymans of het Sinologisch Instituut niet aanwezig zijn, kan geen excuus zijn. In het Rijksmuseum is die er wel, en samenwerking had dan ook voor de hand gelegen. Het feit dat zo'n samenwerking niet mogelijk is gebleken, kan gerust worden aangemerkt als een schoonheidsfoutje in de vaderlandse kunst- en tentoonstellingsregie.

Reidans

De opstelling van hofgewaden en ceremoniele uniformen beslaat het grootste deel van de tentoonstellingsruimte. In hun schitterende kleuren, zwevend in in lange slingers opgestelde, geheel uit glas geconstrueerde vitrines, subtiel uitgelicht in een halfduistere omgeving, doen ze denken aan een reidans van tropische vlinders. Hier toont zich de meesterhand van Wim Crouwel, die de hele tentoonstelling heeft ingericht. De gewaden vallen uiteen in staatsiegewaden van de keizer en keizerin aan de ene kant, en informele gewaden aan de andere kant. De staatsiegewaden zijn volgeborduurd met gouden draken en allerlei andere keizerlijke symbolen. De normale kleur is geel, de keizerlijke kleur, maar bij bepaalde ceremonieen zijn andere kleuren voorgeschreven. Kleurensymboliek speelt in het Chinese denken een grote rol. De kleuren zijn gekoppeld aan de vijf elementen, maar corresponderen ook met de vijf windrichtingen, de vijf smaken, de vijf emoties, en nog veel andere zaken. Ondanks de rijke versiering is de snit van de gewaden heel eenvoudig. Kenmerkend zijn de brede overslag met sluiting opzij en de lange, strakke mouwen met paardehoefmanchetten, die de rug van de hand beschermen. Beide zijn karakteristiek voor de kleding van een ruitervolk, en dat waren de Mantsjoes oorspronkelijk. In een effen blauwsatijnen informeel gewaad van keizer Qianlong ziet men dit type kleding in zijn meest essentiele vorm.

De informele kleding van de vrouwen aan het hof was vaak schitterend geborduurd. Bij die gewaden werden zeer rijke haarsieraden gedragen, dikwijls versierd met turkooisblauwe ijsvogelveertjes. Ik heb me altijd afgevraagd waar die veren vandaan kwamen. Voor al die sieraden die aan het hof, in het theater en bij de gegoede burgerij gedragen werden, moeten miljoenen ijsvogels gevangen zijn. Ik heb in China nog nooit een ijsvogel gezien, terwijl ik toch altijd goed op de vogels gelet heb. Werden ze gekweekt? Of komen ze in meer afgeleken streken van China juist wel veelvuldig voor? Ik weet het antwoord niet.

Behalve civiele kleding zijn ook een aantal ceremoniele wapenrustingen tentoongesteld. Ze zijn geheel in textiel uitgevoerd, en niet, zoals echte wapenrustingen, van bepantsering voorzien. Ze werden gedragen bij de Grote Wapenschouw, die om de drie jaar werd gehouden. Het leger van de Mantsjoes, het volk dat van 1644 tot 1912 over China heerste, was in acht vendels onderverdeeld, elk met een eigen kleur wapenrusting. Van alle acht is een voorbeeld te zien.

Zijdefabrieken

Gezien de grote plaats die gewaden in de tentoonstelling innemen had er in de catalogus wel wat meer aandacht mogen worden besteed aan het gecompliceerde vervaardigingsproces ervan. Een artikel over de keizerlijke zijdefabrieken in Hangzhou, Suzhou en Nanking zou niet hebben misstaan. De catalogus stelt in wetenschappelijk opzicht helemaal enigszins teleur. Dat ligt niet aan de teksten van Ellen Uitzinger, die zijn voortreffelijk. Er hadden gewoon veel meer mensen aan de catalogus moeten meewerken. Een belangrijke tentoonstelling als deze is toch een schitterende gelegenheid om een groep sinologen en kunsthistorici bij elkaar te brengen en ze een aantal artikelen te laten produceren over hofkunst in de Qing-dynastie. Tussen 1987 en 1990 was daar tijd genoeg voor geweest. Een op het grote publiek gerichte tentoonstelling en een goede wetenschappelijke catalogus hoeven elkaar helemaal niet uit te sluiten. Zolang er maar genoeg kleurenfoto's instaan. De catalogus van Schatze aus der Verbotenen Stadt is nog steeds een belangrijk naslagwerk. En ook de andere grote Chinese tentoonstelling die op dit moment in Europa wordt gehouden, Jenseits der Grossen Mauer in Dortmund, gewijd aan het terracotta leger van de Eerste Keizer van Qin, heeft een lijvig boekwerk als catalogus. De negen inleidende essays zijn stuk voor stuk oorspronkelijke bijdragen van meer of minder bekende sinologen en kunsthistorici. De Rotterdamse catalogus heeft een degelijke, uit het Chinees vertaalde inleiding van Shan Guoqiang en twee heel wat prettiger leesbare bijdragen van Uitzinger. Maar dat men daarnaast heeft moeten terugvallen op vertalingen van artikelen uit de vijf jaar oude catalogus uit Berlijn is toch een beetje genant. Hier wreekt zich het feit dat de kunstgeschiedenis van Oost-Azie aan de Nederlandse universiteiten niet als een aparte discipline wordt beoefend. En als zich dan een situatie voordoet waarbij kennis uit die discipline opeens nodig is, zoals de komst van een grote tentoonstelling van Chinese kunst naar Nederland, zit men met de handen in het haar.

Gelukkig heeft dit alles op de tentoonstelling in het museum Boymans-van Beuningen zelf geen invloed gehad. Die is schitterend. Als je na de inleidende audio-visuele presentatie van Bert Koenderink de trap opgaat en de grote tentoonstellingszaal betreedt, waan je je niet in een verboden, maar in een sprookjesstad. En wat zich aan het oog vertoont is ook een sprookje, het sprookje van de Chinese keizer.

De auteur is conservator voor Chinese en Japanse kunst in het Rijksmuseum, Amsterdam.

De expositie De verboden stad is te zien in museum Boymans-van Beuningen t/m 25 november.