Liever vergaderen dan dromen

Over het bezoek aan Nederlandse films wordt de laatste jaren iets minder geheimzinnig gedaan dan voorheen gebruikelijk was. Desgevraagd verstrekt het Productiefonds (dat de taak heeft om de continuiteit in de Nederlandse speelfimproduktie te bevorderen) cijfers voor wat betreft de in 1989 uitgebrachte films, met dien verstande dat beneden de 25.000 bezoekers geen nadere informatie gegeven wordt. Laura Ley, Kunst en Vliegwerk en Loos vallen in die eufemistische categorie, maar vrijwel zeker is 10.000 bezoekers voor deze films nog een veel te hoge schatting. Ook Jan Rap en z'n Maat bleef met 73.700 ver achter bij de verwachtingen. Dat toch nog 4,5 procent van het totale bioscoopbezoek in 1989 (15,6 miljoen) Nederlandse speelfilms gold, is vooral te danken aan de laatste twee maanden, toen Theo en Thea en de ontmaskering van het Tenenkaas Imperium (340.700 bezoekers tot en met augustus 1990), De kassiere (238.100) en De avonden (122.260) uitkwamen. De met Filmfondssubsidie tot stand gekomen produktie Leedvermaak droeg 35.000 bezoekers bij aan het totaal.

In 1990 zal het percentage nog lager uitvallen. Het bezoek aan de vier dit jaar met subsidie van het Productiefonds uitgekomen films bedraagt 25.000 voor De gulle minnaar en veel minder voor Wings of Fame, Han de Wit en Krokodillen in Amsterdam. De nationale kampioen van dit jaar is tot nu toe de Filmfondsproduktie Romeo met 84.000 verkochte kaartjes. Buitenlandse films trokken het eerste half jaar van 1990 samen ruim 6,2 miljoen bezoekers.

In economisch opzicht kan de in de jaren zeventig gekoesterde ambitie om tot een industriele speelfilmproduktie te komen niet anders dan mislukt genoemd worden. De Nederlandse Filmdagen bieden ruim zestig premieres van low-budget-speelfilms, documentaires, korte films, opdracht- en animatiefilms, maar het Productiefonds verwacht pas aan het eind van dit jaar nog twee nieuwe speelfilms, The Last Island en My Blue Heaven. Met andere woorden: het hele terrein tussen goedkope Filmfondsprodukties met een budget van zeg maximaal 1,5 miljoen gulden en de grote internationale coprodukties met een budget van minimaal 5 miljoen gulden ligt thans zo goed als braak.

Maar budgets en recettes hoeven toch nog niets te betekenen voor de kwaliteit van een film, zou men kunnen tegenwerpen. Zeker, De avonden en Romeo zijn waardige kandidaten voor een Gouden Kalf, Pim de la Parra maakte het afgelopen jaar maar liefst zeven 'minimal movies' en de kwaliteit van het premiere-aanbod van de Filmdagen stemt niet bij voorbaat moedeloos. In heel Europa rukt de Amerikaanse filmindustrie getalsmatig op, ten koste van de produkties van eigen bodem. Is de crisis in Nederland dan echt zo veel ernstiger? De selectiecommissies van de drie belangrijkste filmfestivals zijn als maatstaf voor de internationale betekenis van films niet onomstreden, maar aanwezigheid in Cannes, Berlijn of Venetie zegt wel iets over de waarneembaarheid van een nationale filmcultuur. De laatste keer dat een lange Nederlandse speelfilm het hoofdprogramma van Cannes haalde was in 1975: Mariken van Nieumeghen, een verre van industriele produktie van Jos Stelling. Volgens opgave van Holland Film Promotion stamt de laatste deelname aan de competitie in Berlijn uit 1984 (De stille oceaan) en in Venetie uit 1985 (Pervola). Vergelijkbare kleine landen met een beperkt taalgebied (Noorwegen, Denemarken, Hongarije, Belgie, Portugal, Finland, Griekenland) waren de laatste tien jaar wel regelmatig op de A-festivals present.

De oorzaken van de malaise zijn niet zo eenvoudig vast te stellen. De in Hollywood succesvolle Nederlandse regisseur Paul Verhoeven wijt de instorting van de speelfilmindustrie volledig aan de grillen van een man, Productiefondsvoorzitter Jan Blokker. Deze benutte een forum tijdens de vorige Filmdagen over de vermeende negatieve invloed van de Nederlandse filmpers op het lokale filmklimaat voor een tirade tegen de kortzichtigheid van de producenten. Zo kunnen we nog wel even doorgaan met elkaar de schuld geven.

Binnenkort presenteert minister d'Ancona een kunstennota onder de titel Kwaliteit en respons. De inhoud is weliswaar nog geheim, maar er sijpelt al naar buiten dat in de filmparagraaf een voorstel gedaan zal worden voor het instellen van een werkplaats voor jonge filmers. Gedurende een bepaalde periode kunnen ze daar in vrijheid maar wel onder leiding van een inspirator hun talent ontplooien en werken aan projecten die niet eerst hoeven worden voorgelegd aan het Productiefonds of aan het Filmfonds. De verwachting is dat slechts een van beide fondsen blijft bestaan om subsidieaanvragen voor afzonderlijke projecten te behandelen. De Nederlandse filmwereld kennende is het onvermijdelijk dat een dergelijke aanbeveling het signaal zal vormen tot een gevecht op leven en dood: tussen de beide Fondsen (Productiefonds en Filmfonds), tussen verschillende instanties die graag eerder genoemde werkplaats voor jong talent zouden willen beheren, tussen filmmakers, politici en ambtenaren.

Elk nieuw alternatief voor de huidige subsidieringspraktijk verdient serieuze aandacht. Misschien zijn er wel te veel regisseurs en producenten en zou een sanering wonderen doen. De rijksoverheid besteedt op dit moment 23 miljoen gulden per jaar aan film. Dat is te weinig om meer dan tweehonderd speelfilmregisseurs en zo'n twintig producenten permanent aan het werk te houden. Pim de la Parra kan zijn goedkope films alleen maar maken doordat de meeste medewerkers hun inkomen ontvangen van de sociale dienst. Aan die ongezonde situatie zou zo snel mogelijk een einde moeten komen, maar welke commissie zou uit kunnen maken wie zich beter kan laten omscholen? Blauwdrukken voor de toekomst zijn onmogelijk maar horen nu eenmaal bij de Nederlandse filmcultuur, waar meer vergaderd dan gedroomd wordt. Ik vrees dat er de komende tijd in Nederland meer geschreven en gepraat zal worden over subsidiestromen en structuurplannen dan over film. Intussen zit ergens op een zolderkamertje een jonge Nederlandse Ingmar Bergman of Luis Bunuel het scenario uit te broeden van een debuut, dat al het gemor zal doen verstommen.