Het nieuwe Duitsland is geen Nedername-Suriland

Over enkele weken is het zover. Dan houdt de Deutsche Demokratische Republik op te bestaan. Niemand betreurt dat. Men spreekt er graag zijn aangename verrassing over uit dat het toch nog zo snel is gegaan. In feite verdwijnt ook de Bundesrepublik, maar niemand schijnt dat te beseffen. Weliswaar zal het nieuwe Duitsland gewoon Duitsland heten, maar het zal alle kenmerken van het Westen hebben, anders hadden wij de fusie ook nooit goed gevonden. Op zich zelf kan het samengaan van twee staten en culturen een stap voorwaarts zijn in het loslaten van een benepen nationalisme en chauvinisme. Ik heb altijd nog de stille hoop dat Nederland en Suriname zichzelf opheffen en besluiten tot de stichting van een nieuwe staat, nu de zelfstandigheid van elk lang genoeg geduurd heeft om te beseffen dat het niet was wat we wilden. Alleen de naam al van het nieuwe land maakt de samenvoeging tot iets om reikhalzend naar uit te zien: Nedername-Suriland. En dat heeft niets te maken met een herleving van het kolonialisme omdat beide landen zichzelf opheffen, geheel vrijwillig. En er gaat in principe ook niets verloren van het verleden of van de afkomst omdat men juist als Surinamer of als Nederlander een toekomst als Nedernamer-Surilander ambieert. Twee weten meer dan een. En niemand hoeft zich ook inferieur te voelen of in een identiteitscrisis te geraken omdat juist zijn bestaan voor de ander een toereikende reden was zich zelf op te heffen.

Maar dit is niet de situatie van het nieuwe Duitsland. West-Duitsland heft zichzelf niet op. Alle waarden die het zich in het verleden heeft verworven, blijven behouden. Er wordt niets aan toegevoegd. Er is ook geen gevoel van opluchting dat men eindelijk Duitser is in plaats van Westduitser, want de staat van Westduitser werd op geen enkele wijze als armetierig en onvolmaakt ervaren. Voor een Oostduitser moet het er vreemd, en tot op zekere hoogte schrikaanjagend uitzien. Zijn verleden en zijn cultuur zijn helemaal niets waard. Hij heeft al die jaren voor niets geleefd. Sterker nog, het kan niet anders of hij moet zich bij tijd en wijle met Oost-Duitsland geidentificeerd hebben, al was het maar op het moment dat een zilveren medaille bij het schoonspringen werd binnengehaald. Een gevoel van nationale trots. Dat verleden is pijnlijk. Niemand die daar enig respect voor heeft. Ik geloof niet dat het enige psychologische realiteit heeft om te veronderstellen dat voor burgers van de DDR universeel en onaflatend de wens gold, waren wij maar van onszelf af. Je merkt dat ook nu nog. Oostduitsers hebben het gevoel dat zij een revolutie zijn begonnen, niet een campagne tot zelfopheffing. Het kwam ook voor hen als een verrassing dat dat de uitkomst was. Hun inbreng als DDR-burger is ongewenst en uitgesproken eng. Er is niets om trots op te zijn, want het had niet mogen bestaan. Zo hoeft een Westduitser zich absoluut niet te voelen. Oostduitsers zeggen ook graag en gemakkelijk dat zij ideeen van een Nieuw Europa willen inbrengen en zich daar sterk voor willen maken. Maar willen zij dat in hun hoedanigheid van voormalige Oostduitsers? Ik geloof er niets van. Zij willen die abstractie omdat deze voorziet in vermildering van een persoonlijke identiteitscrisis, die er uit bestaat dat zij volstrekt voor niets geleefd hebben. Een revolutie had zelfs geen zin meer, opheffing was nog het enige dat erop zat. Men moet zich daarin niet vergissen. Het is niet dat het ene deel rijker is dan het andere en er bijgevolg een eenzijdige aanpassing moet plaatsvinden. Ongeacht de rijkdom geldt dat er geen interesse voor hun cultuur bestaat en hun totale verleden als huiveringwekkend kan worden aangemerkt. Tenzij zij dit zelf ook altijd al vonden, kan dit niet anders dan leiden tot zelfdepreciatie en ongeluk. Je hebt je leven vergooid aan een grote leugen.

Is er dan niets goeds aan de DDR? Kan er ter behoud van hun zelfrespect niet enig cultureel erfgoed bewaard of misschien zelfs overgenomen worden. Ik ben bang dat het antwoord is: eigenlijk niets. Je ziet het ook. Er is nauwelijks een produkt, dat ook maar iemand uit het Westen wil hebben. In de winkels zie je negentien identieke trouwjaponnen op een rij die voor spotprijzen van de hand gedaan worden, als er nog een koopster voor is. Zelfs de brokstukken van de Berlijnse muur zijn alleen verhandelbaar als zij er aan de westelijke zijde zijn uitgehakt, met grafitti. In alle grote steden staan Westduitse banken met een caravan, in afwachting van een permanente behuizing, reeds zaken te doen. Het omgekeerde komt niet voor. Je kunt in alle grote steden in een rijdend laboratorium je longen laten onderzoeken, de zogenaamde Pneumobil. Die komen uit Keulen of Hamburg. Maar in Hamburg of Keulen staat geen pneumobil uit Weimar of Leipzig. Wanneer je een studieboek inkijkt, kun je vaststellen dat Oostduitse geleerden zeer goed op de hoogte waren van de laatste ontwikkelingen op hun vakgebied. Maar geheel ten onrechte wordt Lenin, ongeacht het onderwerp waar het boek over handelt, het vaakst geciteerd. In een recent boek over de logika wordt tweemaal verwezen naar Wittgenstein, achtmaal naar Quine, tweeentwintig keer naar Lenin. Ook wordt geheel ontoegelicht gesteld dat sommige leden van de Wiener Kreis 'in vollige Apologetik imperialistischer Ideologien abgleiten'.

En in het voorwoord staat altijd, en zo ook hier, dat het boek bedoeld is om mee te werken aan de heerlijke taak het socialisme in onze republiek op te bouwen. Dat maakt zo'n boek volstrekt onbruikbaar in de toekomst. Niet omdat zo'n opinie niet geuit zou mogen worden, maar omdat het zeker is dat de auteur zich daar in de toekomst niet sterk voor zal maken. Het is niet iets om te verdedigen. Maar waarom dan ooit gezegd? Hier komt de DDR-onderzoeker in verlegenheid. Het was allemaal schijn. Hij zou het zijn collega's in het Westen niet eens in overweging willen geven, want hij is blij dat hij van deze ideeen af is. Niet als menselijke vergissing, maar omdat het niet meer hoeft.

Waar de DDR het meest trots op was en waarin zij zich ook profileerde, was de boodschap dat alleen zij gezien kon worden als waardige en volhardende bestrijdster van het fascisme. Alleen haar ideologie kon een gepantserde vuist maken tegen het nationaal socialisme. Maar het is niet iets waar een Oostduitser thans prat op gaat. Hij leeft in het bange vermoeden, dat de DDR geen spat beter was dan het totalitaire regime dat er aan voorafging. Wie het voormalige concentratiekamp Buchenwald bezoekt, merkt meteen dat het leed van anderen hier wordt uitgebuit. Alle voorlichting, in zijn zakelijkheid al macaber genoeg, eindigt met een glorificatie van de DDR en de opdracht de staatsideologie te steunen door geld over te maken voor het Antikriegsmuseum of de Friedensbibliothek. Iedereen weet dat ook dat veranderen zal. De mededeling om die instanties geldelijk te steunen zal in de toekomst achterwege blijven. Maar wie zal die mededelingen schrappen? Het is voor een intellectueel uit de DDR moeilijk om te zeggen, dat moet veranderen, want dat deden wij niet goed. Dat was smakeloos. Want tot wie richt hij zich. Wie zijn die wij? Er valt aan de mentaliteit en de cultuur van Oost-Duitsland niets te verbeteren omdat niemand wil dat zij blijft bestaan. Dat kan voor de betrokkenen niet meevallen.

    • Jaap van Heerden