'Europees zenuwstelsel' voor informatie naar Amerikaansmodel; Brussel wil computerindustrie steunen

BRUSSEL, 21 sept. De Europese Commissie wil de Europese computer- en communicatie-industrie steunen en tegelijkertijd de eenwording van de Europese markt bevorderen door het invoeren van trans-Europese informatiesystemen op het gebied van ondermeer sociale zekerheid, gezondheid, onderwijs, milieu, vrachtvervoer, politie en financien.

Dat zegt Filippo Maria Pandolfi, Europees commissaris voor wetenschap en technologie, in een gesprek met NRC Handelsblad.

Welk bedrag met dit project is gemoeid, het grootste in de geschiedenis van de Europese Gemeenschap, wil hij 'in dit stadium maar liever niet zeggen'.

Wel geeft hij een indicatie. Invoering van een soortgelijk informatiesysteem in de Verenigde Staten kostte in tien jaar tijd 15 tot 20 miljard dollar. 'De kosten in Europa', zegt Pandolfi, 'zullen uiteindelijk door de omvang van onze ambities worden bepaald.' Pandolfi hoopt dat de Europese ministerraad nog dit jaar instemt met het opzetten van het Europese informatie-netwerk. Volgens de plannen zal de Europese Commissie alleen de organisatiekosten voor haar rekening nemen. De lidstaten draaien op voor het leeuwedeel van de lasten.

De Europese commissaris pleit ook voor 'een ingrijpende herstructurering van de Europese informatietechnologie-industrie'. Verder stelt hij een vergaande samenwerking op technologiegebied in het vooruitzicht tussen Europa en de Verenigde Staten. Op die manier zouden de beide blokken het hoofd moeten bieden 'aan ons grote gemeenschappelijke probleem', de steeds groter wordende afhankelijkheid van Japanse elektronica. Volgens Pandolfi is de Amerikaanse bereidheid tot industriele samenwerking met Europa sinds zijn bezoek in maart aan Washington sterk toegenomen.

Het voornemen om de Europese elektronica-bedrijven via grote publieke werken nieuwe impulsen te geven, markeert een breuk in het Europese industriebeleid. In het verleden heeft de Europese Commissie zich altijd beperkt tot het subsidieren van gezamelijk Europees onderzoek in het kader van researchprojecten zoals ESPRIT en BRITE. Met het technologieprogramma JESSI ging de Commissie al een stapje verder door niet alleen het onderzoek naar nieuwe generaties chips te steunen, maar ook de toepassing van die chips te stimuleren. Met invoering van een Europees Zenuwstelsel richt de Commissie zich volledig op het bevorderen van de vraag.

Volgens Pandolfi is dat nodig vanwege de deplorabele staat waarin de Europese informatietechnologie-industrie verkeert en vanwege de aard van de problemen waar ze mee kampt. De positie van de Europese computer- en chip-industrie is zwak en kalft steeds verder af. Zowel bij computers als bij chips neemt Europa ongeveer 30 procent van de wereldmarkt voor haar rekening. Maar Europa levert maar circa 10 procent van de produktie. Zelfs op de eigen Europese thuismarkt moeten de Europese leveranciers genoegen nemen met een minderheidsbelang.

Daar komt bij dat de meeste Europese elektronicafabrikanten in grote financiele problemen verkeren. De drie grootste Europese chipfabrikanten Philips, SGS-Thomson, Siemens lijden dit jaar op de verkoop van die meest vitale elektronische componenten naar verwachting een verlies van meer dan een half miljard gulden. De vijf grootste Europese computerbedrijven Siemens-Nixdorf, Bull, Olivetti, Philips, Nokia zijn dit jaar goed voor een gezamelijk verlies van naar schatting anderhalf miljard gulden. Volgens marktdeskundigen is hoogst onzeker of de Europese computer- en chipbedrijven zelfstandig kunnen overleven.

Volgens Pandolfi is het voor Europa van het grootste belang een eigen Europese informatietechnologie-industrie te behouden, die op de wereldmarkt kan concurreren, omdat die bedrijfstak in toenemende mate de basis vormt van alle andere bedrijfssectoren. Daarom moet de Europese Commissie onverminderd doorgaan met het subsidieren van Europese onderzoekprojecten, zegt Pandolfi, en die steun bij voorkeur nog intensiveren. Maar die aanpak is volgens de Europese commissaris 'niet langer voldoende'.

De fabrikanten kampen minder met een technologie-probleem dan wel met een afzet-probleem. De overige bedrijfssectoren kunnen de technische ontwikkelingen niet meer bijbenen en zijn daardoor onvoldoende in staat om met de nieuwste elektronica hun voordeel te doen.

Die handicap waarmee overal ter wereld wordt geworsteld, geldt in versterkte mate voor Europa. Japanse apparaten bevatten gemiddeld bijna twee keer zoveel chips als Europese. Het aantal personal computers in de Europese kantoren ligt bijna eenderde lager dan in de VS. Daarom, zegt Pandolfi, moet de Europese Commissie haar industriebeleid verbreden en met 'een doelgerichte actie' de vraag te stimuleren. Volgens de Europese commissaris is dat een tweesnijdend zwaard, want invoering van trans-Europese informatiesystemen is ook nodig om de homogene Europese markt die per 1992 een feit zou moeten zijn, ook werkelijk tot 'een grote, unieke markt' te maken. Dat lukt niet alleen met wetgeving, zegt Pandolfi. Om werkelijk profijt te kunnen trekken van de eenwording van de Europese markt zullen de 'op zich uitstekende nationale systemen' onder meer op het gebied van sociale zekerheid en BTW gekoppeld moeten worden.

Op verzoek van Pandolfi hebben de twaalf grootste Europese elektronicabedrijven, verenigd in de Europese Ronde Tafel voor de Informatietechnologie-industrie, eind vorig jaar een eerste opzet gemaakt voor zo'n Europees Zenuwstelsel. In hun toelichting beklemtonen de firma's dat de informatiesystemen 'een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan de versterking van de concurrentiekracht en de sociale ontwikkeling in de Europese Gemeenschap'.

Pandolfi voegt daaraan toe dat de informatiesystemen ook een verdere uitbreiding van de Gemeenschap richting Midden- en Oost-Europa zullen vergemakkelijken.

De Europese Commissie had al in het voorjaar 380 miljoen Ecu, zo'n 950 miljoen gulden, beschikbaar gesteld voor vooronderzoek naar de trans-Europese informatiesystemen. Pandolfi zegt nu, dat de Commissie nadrukkelijk ook de verantwoordelijkheid voor de invoering op zich wil nemen, 'als katalysator', 'als dirigent'.

Dat is nodig, omdat de Europese Commissie rekening houdt met mogelijke terughoudendheid en zelfs verzet van de lidstaten, zegt Pandolfi. Volgens hem zou het initiatief makkelijk kunnen verzanden als de uitvoering 'aan de spontaniteit' van de betrokken landen overgelaten wordt.

Pandolfi verzet zich tegen de suggestie dat het Europees Zenuw Stelsel zal leiden tot een super-bureaucratie in Brussel die met een Big Brother-achtig apparaat zijn almachtige wil zal opleggen aan Europa. 'Het gaat er ons alleen om intelligentie, flexibele instrumenten te scheppen, waarmee alle burgers, alle bedrijven, alle overheden hun voordeel kunnen doen.' Volgens Pandolfi zullen voor de aanbesteding van de informatie-netwerken dezelfde Europese regels gelden als voor andere publieke werken. Dit betekent dat ook Japanse en Amerikaanse bedrijven kunnen inschrijven. Maar Pandolfi verwacht dat het grootste deel van de opdrachten bij Europese bedrijven terecht zal komen, 'niet omdat zij privileges krijgen, maar vanwege natuurlijke, historische en feitelijke redenen'.

De Europese bedrijven hebben in het contact met de Europese overheden de meeste expertise opgebouwd.' Pandolfi hoopt dat invoering van de trans-Europese informatie-systemen ook de noodzakelijke reorganisatie van de Europese informatietechnologie-industrie zal bevorderen, hoewel hij nadrukkelijk verklaart dat dit proces 'exclusief een zaak van de industrie zelf is'.

Wel stelt hij vast dat de huidige gefragmenteerde opzet van de bedrijfstak 'inadequaat en niet toereikend is'.

'Zonder ingrijpende herstructurering zal de informatietechnologie worden beheerst door andere continenten.'