Een legendarische levensgenieter

De uitnodiging voor het verjaardagspartijtje van de - vandaag zestig geworden - voormalige autocoureur Tonio Hildebrand gaat vergezeld van een illustratie, waar niet een, maar twee grote tekenaars hun pen voor in de inkt doopten. De personages die meehossen in de afgebeelde polonaise werden beurtelings geschetst door Peter Vos en Peter van Straaten, die de stoet trouwens met twee treffende zelfportretten afsloten. Voorop danst de nu al legendarische levensgenieter Hildebrand in een karakteristieke pose: zijn uitdrukkingsloze kaken omklemmen een polsdikke sigaar. In zijn nek voelt hij de klauwen van een torenvalk, het prijsdier dat hem aan menige vette buit hielp als hij uit jagen ging. Daarachter huppelt een blote meid, die het uitgesproken zwak van de jarige voor de andere sekse symboliseert, gevolgd door een grijpgrage dikzak met een boevenmasker, een verwijzing naar de geniale nietsnutten uit het penosemilieu waar Hildebrand bijna even hartelijk mee omgaat als met de Amsterdamse beau monde, de bovenlaag der Wassenaarse top-industrielen of in Den Haag gestationeerde buitenlandse diplomaten. De tekening vervolgt met een automobiel, die ten overvloede als 'ocasion' wordt aangeduid: zijn huidige inkomen ontleent de ex-racer aan wat hij 'verkoop van roestige rommel' noemt. Bolke de Beer een schepping van kinderboekenschrijver A. D. Hildebrand, die zijn zoon van 'innerlijke beschaving' voorzag duwt het voertuig voorwaarts. De betekenis van de jager die in de sporen van het beertje treedt valt niet moeilijk te duiden. De smakelijke kreeft die een fles eerste-klas-cognac omhelst roept evenmin vragen op. Maar wat de olifant in de polonaise te zoeken heeft is Tonio Hildebrand een raadsel: 'Dat zal ik de jongens eens vragen. Ik ga wel eens op safari in Zuid-Afrika. Als ze dat bedoelen, vergissen ze zich. Ik schiet niet op olifanten.'

Verstrooiing

We hangen aan de bar van het hoofdstedelijke Hilton, waar hij al zo'n vijfentwintig jaar dagelijks verstrooiing zoekt. Af en toe heft hij een hand en bast een groet: hij kent bijna iedereen en bijna iedereen kent hem een omstandigheid die volgens hem voortvloeit uit een kameleontische instelling en een 'redelijk vermogen om te communiceren' zijnerzijds. Van de omvangrijke schare vrienden en vriendinnen die hij een warm hart toedraagt, werden vijfhonderd uitverkorenen aangeschreven om op zijn zestigste verjaardag 'feestelijk te komen feesten'. De toevoeging 'uitsluitend black tie' op de convocatie had voor hem niet gehoeven, zoiets schrikt de hem toegenegen zigeuners en Hell's Angels wellicht af, maar mind you, hij heeft niets met de organisatie van dit festijn te maken. Dat was het werk van de acteur Manfred de Graaf. 'Ach, dat leeftijdsverschil wordt kleiner naarmate je ouder wordt', mijmert Hildebrand. 'Ik zat indertijd zijn moeder achterna en om haar te paaien bouwde ik voor de kleine Manfred de snelste zeepkisten van het Gooi. Zoiets schept een band.'

De gedachten gaan terug naar vorige verjaardagen, waarbij de huiskamer altijd vol visite zat. Toon Hermans kwam, Rijk de Gooijer, Pistolen Paultje, Hans Gruijters en al die andere vaste jongens waar hij al zo'n dertig jaar of langer mee omgaat.

De schrijver Simon Carmiggelt was steevast om klokslag acht uur als eerste present en had dan een gesigneerd exemplaar van zijn nieuwste bundel bij zich. Om half negen keek hij op z'n horloge, zei dat hij even een boodschap ging doen en keerde die avond niet weerom. Op zijn beurt tracteerde Hildebrand de auteur op menige kleurrijke en vrijwel persklare anekdote die hem in zijn constante verkenningstocht van de Amsterdamse horeca ter ore was gekomen.'sMorgens trekt hij de deur van zijn woning achter zich dicht en zelden steekt hij voor het vallen van de nacht de sleutel opnieuw in het slot. Zijn secretaresse die het zakelijk verkeer regelt ziet hem vaker dan zijn levensgezellin, die de natuurgeneeskunde praktiseert en tegen tien uur 'savonds al onder de wol ligt.

De woelige levenswandel van Tonio Hildebrand werd zeventien jaar geleden toen het eigenlijk nog te vroeg was voor memoires al opgetekend door Martin van Amerongen. Dat resulteerde in een gezellig boek, waarvan Hildebrand de titel Het gaat niet om geld nog steeds helemaal onderschrijft. 'Vriendschap en geld moet je strikt gescheiden houden', legt hij uit. 'Ik heb geen cent, hoewel de fiscus daar al jaren anders over denkt. Ik zit constant op te boksen tegen dat imago van de man met snor, zegelringetje en gepoetste schoenen die op tijd z'n Davidoff rookt en rondrijdt met een glanzende auto onder de bips.

Ik heb een buitengewoon interessant vriendenpakket en ik zit niet in de lik, dus alles bij elkaar is het best aardig. Neem Niki Lauda, die ik goed ken. Hij woont op Ibiza met een vrouw die niet van skien, maar wel van whiskien houdt en nogal met andere heren in de weer is. Daar blijft Niki heel kalm onder, hij ontsteekt alleen in blinde woede als er geen yoghurt in de ijskast staat. 'Ik moest eens een financieel probleem oplossen. Hoewel het indruist tegen mijn principes moest ik een beroep doen op iemand die me uit de brand kon helpen, dus belde ik Niki Lauda op. 'Heb je zin om mij veertig mille te lenen?', vroeg ik. 'Dat zou best wel eens kunnen, maar wanneer heb je dat geld nodig?', zei Niki. 'Twee uur geleden', antwoordde ik. 'Dan bel ik je over tien minuten terug', zei hij. Tien minuten later hing hij weer aan de telefoon en zei: 'Om tien over zes ben ik op Schiphol, zorg dat je er bent, dan vlieg ik om tien over zeven terug naar Ibiza. Tot straks.' En hij was er die avond, tien over zes. Nauwelijks had hij me een enveloppe met bankbiljetten in de hand gedrukt of hij was alweer weg omdat hij nog wat in de tax-free-shop wilde kopen. Kijk, dat is vriendschap.' Voordat hij in de autoracerij verzeild raakte, beoefende hij uiteenlopende ambachten: bitterballenjongen bij Het Gekroonde Spinnewiel op het Leidseplein, kwartjesvanger op draaimolen Rocket to the Moon, smokkelaar van Rizla-vloeitjes (naar Zweden) en Oostenrijkse Imco-aanstekers (naar Nederland) en eigenaar van het roemruchte Toro-hotel, dat in die dagen het verblijf te Amsterdam voor menig Amerikaanse toerist tot een nachtmerrie maakte. Via handel in tweedehands auto's ontpopte hij zich tot een geduchte snelheidsduivel voor wie geen wedstrijdparcours nog geheimen had. Zoals het bergbeklimmen de strijd van de mens tegen de natuur symboliseert, zo symboliseert het racen de strijd van de mens tegen de tijd, filosofeerde hij.

In 1978 hij had de sport toen vijfentwintig jaar beoefend en een kleine zesduizend koersen gereden was de lol er opeens af. Pitspoezen 'Het racen vond ik nog steeds leuk, maar al het gedoe er omheen al lang niet meer', zegt hij. 'Het vele reizen was me steeds meer gaan tegenstaan. Bij ieder circuit is een Hilton, maar het is altijd hetzelfde Hilton ze spreken er alleen steeds een andere taal. Van het hotel ga je naar het circuit, je gaat trainen, je gaat testen, je eet niet te veel, je drinkt niet en that's it. De kans dat je iets van de omgeving ziet is nul. De buitenwereld ziet de glamour, maar dat laat je als wedstrijdrijder koud. Neem die pitspoezen. Dat zijn over het algemeen mooie vrouwen, maar de rijder schiet daar niets mee op. Die is moe en verlangt om tien uur naar z'n bed. Z'n hoofd staat helemaal niet naar pitspoezen, hij is uitsluitend met die auto bezig. 'Dat racen kon ik aardig. Volgens insiders had ik een natuurlijk talent. Ik leefde er alleen niet naar. Door de flauwekul van de sigaren, de dames en de drank was ik niet in staat om de absolute top te halen. Dat rennen, dat was een mentaliteitskwestie, dus daar zette ik m'n kaken in. Maar als ik dan gewonnen had en ik naast twee anderen met een beker op zo'n schavotje stond voelde ik mezelf ontzettend voor joker staan. Dan dacht ik: wat sta ik hier met zo'n bosje bloemen, wat is dit voor een totale gekkigheid, zeg. Dat was natuurlijk niet de juiste instelling, ik was te afstandelijk.' Sindsdien omschrijft hij zichzelf als een 'handige scharrelaar', al is hij nog regelmatig in de pits te vinden. Hij volgt de racerij nu vanaf de tribune, leest twee boeken per week, kijkt 'snachts naar CNN, bestudeert in het open veld de grutto, de kemphaan en de steltloper, voert diepzinnige gesprekken ('maar ook wel eens niet') en ziet er op toe dat volle glazen tot op de bodem geleegd worden. Hij verplaatst zich van de ene naar de andere afspraak met een Peugeootje. 'Niks bijzonders, gewoon een oud wagentje dat het nog redelijk doet', zegt hij. 'Ik ben uit geautood, de burning flame is gedoofd. Op de weg houd ik me redelijk aan de snelheid. Op de bon geslingerd worden door een politieagent vind ik redelijk inconvient.' Oud-autocoureur Tonio Hildebrand: 'Ik ben uitgeautood, de burning flame is gedoofd.'

Foto NRC Handelsblad/ Vincent Mentzel Tekening van Peter Vos en Peter van Straaten bij de zestigste verjaardag van Tonio Hildebrand

    • Rudie Kagie