Een ernst van vroeger; Essays van Andreas Burnier

Wie een beetje bekend is met het werk van Andreas Burnier, moet zich in 1988, na haar afscheid van de universiteit, na Mystiek en magie in de literatuur, de Verwey-lezingen aan de Leidse universiteit, afgevraagd hebben welke richting haar ontwikkeling zou nemen. Weg van de rede, betekende dat ook weg van de redelijkheid? Weg van wat mededeelbaar was? Zou de mystiek, de stilte de overhand krijgen? Het nieuwe boek van Andreas Burnier, een verzameling essays en lezingen uit de afgelopen drie jaar, geeft eigenlijk geen antwoord op die vraag, maar een ding is zeker, ze is nog onder ons.

De bundel is een staalkaart van de mogelijkheden van Burnier, bijeengehouden door die heldere, verzorgde stijl die haar didactisch en democratisch kenmerk is. Reisverslag, maatschappelijke analyse, filosofisch essay, literaire beschouwing, zelfportret, het is er allemaal in ondergebracht en het is allemaal onmiskenbaar Burnier, dat wil zeggen van een soort ernst die je zelden meer tegenkomt, een ernst van vroeger.

Het leven en werk van Andreas Burnier staan in dienst van het hogere. Voor haar zijn de mens en de wereld in wezen geestelijke entiteiten, vormen van bewustzijn, die voortdurend in verandering, in ontwikkeling zijn. Idealiter verloopt die ontwikkeling van de lage bewustzijnsniveaus waarop de werkelijkheid louter in termen van overleving, lust of macht wordt gezien naar de hogere van werkelijk medelijden of religieuze inkeer. Burnier kent ook nog een zesde niveau, 'dat van de belangeloze, uit inzicht verworven, uit liefde geschonken wijsheid. Het voorlopig hoogste, nog enigszins in onze taal aanduidbare bewustzijnsniveau is dat van de unio mystica'. Haar probleem is, dat voor een individu deze weg omhoog nog wel te gaan lijkt al moeten dan veel hindernissen als de bestaande rationaliteitsterreur genomen worden maar dat de wereld zelf een heilloos verkeerd pad ingeslagen is. Zonder hoop is ze niet, maar echt vrolijk is deze bundel ook niet te noemen.

Kil perfectionisme

Hopeloos is wel haar verhouding met Duitsland. Uit dat land kan niets goeds meer komen. De schone pleinen van Munchen zijn voor haar een uiting van het kille perfectionisme dat de Endlosung uitvoerde en de blinde instemming die de machtige Man Gorbatsjov hordegewijs overal in Duitsland toegebruld kreeg, herkent ze ook. In het hele boek wordt alles wat Duits is met een kleine letter geschreven.

De drie essays die op haar beschrijving van een bezoek aan Munchen en Dachau volgen, behoren voor mij tot de beste die Burnier geschreven heeft. Hierin ontbreken die herkenbare Burnier-onredelijkheden waarbij haar woede het glansrijk wint van de nuance. In deze essays geen Duitsers, geen corpsballen, door-rood-lichtrijders of welke andere curieuze categorieen die haar woede opwekken. Er zijn wel politici en bureaucraten die het onder de prachtigste invectieven moeten ontgelden, maar Burnier heeft daarbij meer een manier van denken op het oog dan een welomschreven groep. De drie stukken gaan over euthanasie, waar ze mordicus tegen is, over recente ontwikkelingen op het gebied van de genetische manipulatie en de informatica en over het lager en middelbaar onderwijs. Over dit onderwijs schrijft ze uiterst genuanceerd en prettig anarchistisch: 'Het enige dat men zou kunnen doen tegen de dommekracht van de staatsmoloch, is consequent iedere grove ambtelijke en politieke inmenging in de onderwijspraktijk afwijzen en alle ambtelijke bedil-papieren ongelezen naar de afzenders terugzenden. Laat de circulaires circuleren.'

Het essay over genetische manipulatie, haar afscheidsrede als hoogleraar, geeft een indrukwekkend beeld van hoe in haar ogen de wereld een heilloos verkeerde weg ingeslagen is; hoe wetenschap en techniek ons in staat lijken te stellen binnen afzienbare tijd veranderingen aan te brengen in de bio-psychische basisstructuur en het bewustzijn van de mensheid en hoe 'onmenselijk' dat is. Het is een ingrijpend verhaal en ze heeft weinig hoop te bieden. Althans, die 'diverse, zogenaamd alternatieve stromingen in de westerse wereld, die zich al dan niet door oosterse of westers-esoterische tradities laten inspireren' lijken mij de oplossing niet.

Zelfportret

Het overige deel van de bundel gaat over kunst en literatuur, de laatste twee stukken geven zelfs een literair zelfportret. In een deel van die stukken, vooral de beschouwende, niet autobiografische zit dat hogere naar mijn smaak een volledige appreciatie van kunst en literatuur wat in de weg. Het stuk over het spirituele in de kunst stelt zeker behartigenswaardige vragen wat is abstracte kunst die niet louter ornament of narcisme wil zijn? maar bij de beantwoording is het puur materiele en visuele als minderwaardig terzijde geschoven. De spirituele inzichten en ervaringen waarover het stuk zou moeten gaan, kunnen niet onder woorden gebracht worden. Zo ook met de stukken over Dante en Goethe. Heel erudiete stukken maar ze gaan vooral over de weg die via symboliek naar wijsheid voert. Het genieten van de tekst, zoals bijvoorbeeld Borges dat met betrekking tot Dante doet in Zeven Avonden hoe Dante de snelheid van een pijl wist uit te beelden door de volgorde van schieten en treffen om te draaien dat soort materiele zeken treffen we bij Burnier te weinig aan. Tenminste, het is mijn overtuiging dat schoonheid en de werking van het 'hogere' alleen op die manier betrapt kunnen worden.

Het gemis wordt weer ruimschoots goedgemaakt door het laatste stuk, 'Waarom schrijft u?'. Daarin zijn twee kleine verhalen opgenomen, een over een elfjarig joods meisje, in de winter, in de nacht, op zoek naar een onderduikadres, een verhaal over halffatsoen, en een over een patjepeeer die met een zweep een paard het vervoerswagentje indrijft, een verhaal over alledaagse misdadigheid. Beide huiveringwekkende stukken.

Zoals gezegd, De achtste scheppingsdag biedt een staalkaart van de mogelijkheden van Burnier. Ze is nog onder ons. Laten we ervan genieten.