De struisvogel spreekt

Met schrijvers van ingezonden en opgenomen stukken pleeg ik niet in discussie te treden, want dan zou ik wel aan de gang kunnen blijven. Soms echter zijn die stukken symptomatisch voor een bepaald denken of gevoelen en krijgen ze een betekenis die uitgaat boven de intrinsieke waarde van het stuk zelf. Een reactie daarop kan dan van algemener belang zijn.

De reactie richt zich in zo'n geval niet zozeer tot de schrijver wiens identiteit verder weinig relevant is als wel tot het lezerspubliek. In de krant van 6 september stond nu zo'n ingezonden stuk. Het is kenmerkend voor een bepaalde mentaliteit en vraagt dus om commentaar. De naam van de schrijver noem ik niet, omdat mijn reactie meer met die mentaliteit dan met hem persoonlijk wil afrekenen. Het is mij niet om de persoon te doen, maar om het verschijnsel.

Maar eerst: waarop reageerde dit ingezonden stuk? Op een artikel van mij in de krant van 31 augustus, waarin ik betoogde dat wij ons, wat de crisis in de Golf betreft, 'in een oorlogslogica' bevonden. Ik had dit woord ontleend aan president Mitterrand, die in zijn persconferentie van 21 augustus had gezegd: 'Nous sommes dans une logique de guerre' een uitdrukking die hij overigens in een latere persconferentie herhaalde.

Mijn betoog kwam er, kort gezegd, op neer dat de eerste maatregelen die al dadelijk na de overval op Koeweit tegen Irak waren genomen, een innerlijke dynamiek bevatten die moeilijk te stoppen, laat staan terug te draaien, zou zijn. Zal het gigantische militaire apparaat dat daar opgebouwd wordt, niet vanzelf de behoefte genereren er ook gebruik van te maken? En dan niet alleen er gebruik van te maken om Irak uit Koeweit te verdrijven, maar om meteen ook Irak terug te brengen tot de proporties van een betrekkelijk ongevaarlijke staat (dus zonder nucleaire en chemische wapens)? De publieke opinie in Amerika zou wel eens kunnen vinden dat de hele operatie die thans aan de gang is, voor niets zou zijn geweest als dat niet het resultaat zou zijn.

Ik probeerde bij deze analyse die ik graag voor een betere geef me van elke uiting van goedkeuring, verontwaardiging of bezorgdheid te onthouden, omdat ik vind dat een analyse niet vooruit moet lopen op de conclusies die er eventueel uit getrokken kunnen worden. Maar hier had ik buiten de waard gerekend, en wel de briefschrijver die op 6 september als volgt reageerde: 'Verholen agressie onder het mom van een analyse, en in strijd met de logica. Deze kwalificatie zou ik willen geven aan de column 'Een oorlogslogica'. Enerzijds treffen wij instemming aan met de opvatting dat bij gebruik van geweld (tegen Irak) de ramp niet te overzien zal zijn, anderzijds lezen wij dat de vrede wel bewaard, maar niet gediend is met het bereiken van de doelen van de Veiligheidsraad alleen.

Dat wil zeggen: Irak moet ook teruggebracht worden tot de proporties van een betrekkelijk ongevaarlijke staat en wel met geweld. Blijkbaar wordt de vrede het meest gediend met een onoverzienbare ramp. Bij nader inzien moet ik toegeven dat de oorlogslogica zelden treffender is getypeerd.' Let wel: de schrijver bestrijdt nergens de juistheid van mijn argumenten. Nee, hij insinueert. Immers, hij beschuldigt mij van 'verholen agressie'.

Kan hij bewijzen dat mijn woorden agressie verhullen? Zo ja, dan heeft hij die bewijzen niet overgelegd. Met andere woorden: insinuatie die ik, eerlijk gezegd, in deze rubriek niet vind thuishoren.

Niet alleen komt hij nergens met tegenargumenten, hij is het zelfs met mij eens. Ook hij vindt kennelijk zo lees ik uit het eind van zijn stuk dat hier sprake is van een oorlogslogica. Maar hij is blijkbaar van mening anders begrijp ik zijn reactie niet dat je daar alleen maar met afschuw over mag spreken. Ja, misschien vindt hij wel dat je er helemaal niet over mag spreken ook niet als die logica bestaat.

Ik zie hierin het zoveelste bewijs dat wij nog altijd in een echt domineesland wonen, aan welks invloed zelfs de meeste onkerkelijken en atheisten zich niet kunnen onttrekken. Nog altijd moet in Nederland uit de constatering of de analyse tevens de gezindheid spreken. Anders is het niet goed.

Sterker nog: in veler ogen bewijst het feit zelf van de constatering of analyse de gezindheid. In casu: wie het bestaan van een oorlogslogica constateert, wil die oorlog. Bewijs onnodig, want dat ligt immers al in het feit der constatering besloten! Op die manier worden de ergste verdachtmakingen en insinuaties geheiligd.

Het gekke is dat ik dat laatste nog niet eens zo erg vind. Ik ben per slot van rekening zelf ook erfgenaam van die cultuur die graag feiten en meningen door elkaar haalt. Erger vind ik dat zij ook leidt tot een gigantische struisvogelpolitiek: men ziet de werkelijkheid wel, maar men wil haar niet zien en denkt tegelijkertijd dat deze houding de vrede dient. In zoverre was dit ingezonden stuk een typisch specimen van Nederlandse cultuur en alleen daarom een reactie waard.

PS. Een reactie op een ingezonden stuk heeft vooral zin wanneer zij een feitelijke constatering rechtzet. In de krant van 17 september schrijft W. Klinkenberg dat ik, in mijn artikel van 11 september, ten onrechte heb geschreven dat in 1956 de kwestie-Nieuw-Guinea 'nog moest komen'.

Inderdaad, die kwestie speelde al sinds 1950, maar werd pas in 1957 acuut, om in 1960-'62 tot een crisis te worden, waar de Verenigde Staten zich mee gingen bemoeien.

Op zijn beurt maakt Klinkenberg een fout door Soekarno een 'ex-Boven-Digul-gevangene' te noemen. Soerkarno is nooit aan de Boven-Digoel (Nieuw-Guinea) geinterneerd geweest.

    • J. L. Heldring
    • Dezer Dagen