Ambtenaren vrezen keuze om pensioenpremie ABP

AMSTERDAM, 21 sept. In de diepe nazomer, als het bedrijfsleven zich reeds opmaakt de cijfers over het derde kwartaal te publiceren, presenteert het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds traditiegetrouw zijn jaarverslag. En zoals het vallen van de bladeren hoort bij de herfst, lag ook dit jaar weer dezelfde klacht op de lippen van de bestuurders van Europa's grootste pensioenfonds: de premies voor de ambtenarenpensioenen zijn te laag. Evenals het vallen van de bladeren zal deze waarschuwing weinig opschudding teweeg brengen. Als het ABP een 'commercieel' pensioenfonds zou zijn stonden de zaken er inderdaad niet best voor. Want als alle pensioengerechtigden op dit moment uitkering van hun opgebouwde rechten zouden opvragen zou dat het ABP 171,6 miljard gulden kosten. En dat is aanmerkelijk meer dan het fondsvermogen van 156,5 miljard gulden, zodat het ABP praktisch gesproken failliet is. Geen toezichthouder die zoiets accepteert.

Maar het ABP verzekert de pensioenen van overheidspersoneel en de Staat gaat niet failliet. Vandaar dat de Verzekeringskamer, waar het ABP zich vrijwillig laat controleren, andere normen aanlegt dan voor de overige pensioenfondsen.

Er is dus een tekort en, zo waarschuwt het ABP, de premies dienen drastisch te worden verhoogd om de toekomstige uitkeringen te garanderen. Iedere procent premieverhoging kost de staat echter ongeveer 440 miljoen gulden en daarom leek het van overheidswege tot nu toe beter de aanzuivering van het tekort naar een onbepaald moment in de toekomst te verschuiven. 'Inhaalbijdrage' is dan ook de eufemistische benaming die aan het gat in de pensioendekking is gegeven.

Het premieniveau is gedaald van 22 tot 8,3 procent, zo bracht gisteren J. A. M. Reijnen, de voorzitter van het ABP-bestuur nog eens ten overvloede in herinnering. Willen alle toekomstige verplichtingen gedekt zijn, dan is een verhoging tot 12,6 procent over een periode van zeker tien jaar noodzakelijk, zo staat er in het jaarverslag te lezen. Dat zou de staat jaarlijks 1,9 miljard gulden kosten, zo leert een snelle rekensom.

Wie echter van ABP-zijde een hard pleidooi had verwacht voor onmiddellijke premieverhoging kwam gisteren bedrogen uit. Slechts na enig aandringen verklaarde Reijnen bescheiden dat het ABP genoegen zou nemen met een premieverhoging 'van iets meer dan een procent'.

Veel haast had de bestuursvoorzitter evenmin: het hoefde niet onmiddellijk, als de dekking voor de toekomst maar voldoende was. Deze in verhouding tot de geschetste nood opmerkelijke mildheid heeft alles te maken met de onderhandelingen die het ABP thans met de ministeries van financien, binnenlandse en economische zaken voert over het invoeren van een premiesysteem dat op termijn een eind moet maken aan het gat in de begroting van het ABP. Opmerkelijk is dat het ABP beducht voor grote veranderingen in het algemeen en aansluitend bij het premiestelsel dat is ontworpen door de eigen actuaris daarbij voorstander is van een geleidelijke premie-aanpassing, terwijl van overheidszijde juist wordt aangedrongen op de snellere verhoging van de premies, waarbij een volledige dekking van de verplichtingen wordt bereikt.

Een compromis tussen beide stelsels is in de maak. De doortastendheid van overheidszijde heeft echter reeds het wantrouwen van de ambtenarenbonden gewekt. Daar vreest men dat een deel van de verhogingen gezien het forse bedrag en het onafwendbare karakter op de ambtenarensalarissen zal worden afgewenteld via het arbeidsvoorwaardenoverleg.

Een wantrouwen dat overigens niet onterecht is. Want het zijn mede de verhogingen van de ambtenarensalarissen die volgens het ABP een hogere premie noodzakelijk maken. Het gat tussen het vermogen van het ABP en de toekomstige verplichtingen is weliswaar de laatste vier jaar gehalveerd van 30 tot 15 miljard gulden. Maar de komende jaren maken inflatie en stijgende lonen de inhaalbijdrage weer groter, zo verwachten de ABP-bestuurders. Ook de jaarlijkse 'overrente' die het ABP op zijn beleggingen behaalt is volgens het fonds onvoldoende om het gat te dichten. Jaarlijks maakt het ABP een gemiddeld rendement van tegen de 8 procent op het belegd vermogen en dat is twee keer het rendement dat het fonds nodig denkt te hebben om op termijn aan de verplichtingen te kunnen voldoen. Dit jaar houdt het ABP zodoende 4,2 miljard gulden over die niet direct nodig zijn. Maar deze ruimte moet al worden gereserveerd om de gevolgen op te vangen van de loonstijging van 2,5 procent waarop dit jaar wordt gerekend. Stof tot nader overleg tussen het ABP, de ambtenaren en de overheid lijkt ook de organisatie van het omvangrijke fonds. De administratie van de 926.000 ambtenaren en hun 431.000 gepensioneerde collega's is verwikkeld in een grondige herstructurering die eind 1992 voltooid moet zijn. 'Een hell of a job', zo gaf ABP-directeur mr. M. A. K. Snijders gisteren reeds aan. Tot voor kort was de administratie van het ABP er voornamelijk op gebouwd om zo tegen het einde van een dienstverband aan de hand van een legger met papier eens rustig uit te rekenen hoe de uitkering er voor stond, ongeacht of de betrokken persoon al of niet in dienst was. Maar tegenwoordig is het mogelijk dat individuele ambtenaren die de dienst verlaten en groepen die via privatisering uit het fonds gelicht worden hun opgebouwde rechten mee kunnen nemen. En volgens betrokkenen loopt de verwerking van deze gegevens nog allerminst soepel.

Het idee van minister Dales, om tot een verdere decentralisatie van het arbeidsvoorwaardenoverleg te komen zal in dit verband op de ABP-burelen dan ook met weinig vreugde zijn ontvangen. Dat betekent immers dat de pensioenverplichtingen per overheidssector zal moeten worden bepaald. Een brandweerman heeft nu eenmaal een ander risicoprofiel dan een universitair docent. Een extra belasting voor de administratie, waar een dergelijk opsplitsing nu geheel ontbreekt. Onmogelijk is het niet, maar de invoering zou 'nu heel wat meer moeite kosten dan op een later tijdstip', zo liet Snijders gisteren doorschemeren. Er is nog een andere reden waarom een dergelijke differentiatie van de pensioenverplichtingen op weinig enthousiasme bij de ABP-bestuurders kan rekenen. Het is immers koren op de molen van diegenen die menen dat het ABP is uitgegroeid tot een onhandelbare kolos. Uitgaande van die stelling zijn de verschillende overheidssectoren met hun eigen premiecategorieen beter onder te brengen in veel kleinere, beheersbare pensioenfondsen.

    • Steven Adolf