Zwakzinnigen vaak verkeerd geplaatst

DEN HAAG, 20 sept. Een kwart tot een derde van de bewoners van zwakzinnigeninrichtingen en gezinsvervangende tehuizen is beter op zijn plaats in een andere, kleinschaliger woonvoorziening dan de huidige. Dat blijkt uit een onderzoek van de Provinciale Raad voor de Volksgezondheid in Zuid-Holland.

Bij de wachtlijsten is volgens de raad 'een schrijnende situatie' ontstaan. Het onderzoek toont aan dat de gemiddelde wachttijd van verstandelijk gehandicapten die wachten op plaatsing in een van de voorzieningen, is opgelopen tot meer dan vijf jaar. Zowel groepsleiders als ouders vinden dat een groot deel van de bewoners van inrichtingen en gezinsvervangende tehuizen (GVT's) niet op de juiste plaats zitten. De wensen gaan in de meeste gevallen niet uit naar verplaatsing naar een andere voorziening, maar naar een andere plek binnen de inrichting. Ouders en groepsleiding tonen voorkeur voor een verschuiving in de richting van kleinschaliger en zelfstandiger wonen. Als deze wensen zouden worden ingewilligd, zouden er over vijf jaar meer dan twee maal zoveel woningen op de inrichtingsterreinen, sociowoningen en dependances van gezinsvervangende tehuizen (GVT's) nodig zijn, aldus het rapport. Over de kwaliteit van verpleging en verzorging zijn de ouders over het algemeen tevreden. Groepsleiders denken dat in kleinere eenheden buiten de instelling meer tijd zal zijn voor dagelijkse activiteiten.

De meeste ouders van kinderen die op een wachtlijst staan, zien hun kinderen liever in een inrichting of GVT, omdat de mogelijkheid tot sociale contacten en begeleiding daar groter zijn dan thuis. Ongeveer een kwart van deze ouders gaf aan dat hun kind eventueel langer thuis zou kunnen blijven wonen, als zij meer ondersteuning zouden krijgen.