Wisselende soli in een dicht muzikaal tapijt

De waardering voor de produkties van Scorpio Films (Wim Verstappen en Pim de la Parra) in de jaren zeventig gold eerder hun elan en dadendrang dan de artistieke kwaliteiten van afzonderlijke films. Een enkele keer kwam er uit hun goede bedoelingen iets te voorschijn dat wel degelijk allure, raffinement en entertainment te bieden had, zoals Verstappens VD. De geschiedenis herhaalt zich: de Nederlandse speelfilmindustrie bevindt zich weer bijna op het niveau van 1971 en in de marge produceert Pim de la Parra voor een appel en een ei aan de lopende band 'minimal movies'. Drie gaan er tijdens de Nederlandse Filmdagen in premiere, waarvan Let the Music Dance in ieder geval kwaliteiten bezit die De la Parra's andere recente films moesten ontberen.

De la Parra is de 'ontwerper/regisseur' van deze in de muziekwereld gesitueerde moderne variant op een 'crazy comedy', over een componist (Boudewijn de Groot) die de opdracht heeft het Europese volkslied te schrijven. De film werd in vijf dagen opgenomen en geen van de medewerkers of acteurs kreeg een ander honorarium uitbetaald dan een soort schuldbekentenis van de producent. De film ademt improvisatie, plezier, muzikaliteit en vaart, of zoals assistent-regisseur en co-scenarist Paul Ruven het noemt: 'jazz'. Alleen in de amechtige bijrol van De la Parra zelf valt nog de vermoeiende egotripperij te herkennen van sommige narcistische personages uit De nacht van de wilde ezels en Lost in Amsterdam. De toon benadert eerder het swingende tempo en de tegendraadse humor van een van de aardigste films uit de 'minimal movie'-beweging, Ruvens Max en Laura en Henk en Willie. Het wekt dan ook geen verbazing dat actrice Ingrid Willemse in het persboek van Let the Music Dance vertelt dat ze op de set uiteindelijk met Ruven als regisseur te maken had. De la Parra blijft de inspirator van zijn films, maar Ruven, die pas volgend jaar aan de Filmacademie afstudeert en tijdens de Filmdagen nog een film presenteert (How to Survive a Broken Heart), zou wel eens de belangrijkste troef van dit nieuwe golfje kunnen worden.

Het verhaal van Let the Music Dance valt nauwelijks na te vertellen. Het is een snelle opvolging van personages en gebeurtenissen, waarvan sommige tijdens het draaien spontaan werden bedacht. Ruvens 'jazz' komt niet zozeer tot uitdrukking in muzikale intermezzi, maar in de zeer goed bevallende optredens van uit de muziekwereld afkomstige acteurs. De Groot beschikt over een aangenaam naturel, dat hem geknipt maakt voor de rol van een wat wereldvreemde componist, die alle aandacht en bewondering, vooral van vrouwen, gelaten over zich heen laat komen. Briljant is het gastoptreden van Hans Dulfer als een impresario die een inferieure band verkoopt alsof het een tweedehands auto is. Zijn spraakwaterval heeft wel wat van een jamsessie. Ben Cramer speelt een verlopen Sinatra die Tom Waits imiteert en Henny Vrienten improviseert gezellig met De Groot. Maar ook de bravoure-act van Marc Hazewinkel als een zeer met zichzelf ingenomen yuppie-belastinginspecteur past in die losse structuur van wisselende soli in een dicht muzikaal tapijt.

Een doordacht scenario hoeft men van een dergelijke film natuurlijk niet te verwachten. Wat nu precies de problemen zijn bij de totstandkoming van de Europese hymne, wordt niet erg duidelijk. De muziek schijnt niet gecomponeerd te kunnen worden voordat er een geschikte zangeres gevonden is, maar later blijkt een trompettist ook te voldoen. Wat je wel onthoudt is de even simpele als doeltreffende typering van Europese politici als mensen die krampachtig hun hand aan een denkbeeldig apparaatje in hun oor houden.

Het blijft allemaal amusement tussen de schuifdeuren, maar daarmee kan kennelijk soms een heel behoorlijk niveau gehaald worden. Doorslaggevend zijn het enthousiasme en de charme van de presentatie, die welwillendheid bij de kijker genereren. De la Parra heeft die truc al jaren met succes herhaald, maar nooit zo overtuigend als in deze ode aan Amsterdam als Europese hoofdstad van de geimproviseerde levenskunst, waar alles vanzelf lijkt te gaan. Een film hoeft daar geen geld te kosten, zolang de acteurs en andere medewerkers aan een uitkering en elkaars gezelschap genoeg hebben. Of zo'n film ook internationaal de toets der kritiek doorstaat, valt nog te bezien. De afwezigheid van enige dramatische kracht of visuele originaliteit doet zo'n sympathiek Jordaanfestival dan misschien toch door de mand vallen.

    • Bonnie Williams
    • Pim de La Parra. Met
    • Eugenie Schellen. in 5 Theaters
    • Boudewijn de Groot
    • Hans Beerekamplet The Music Dance. Regie
    • Marc Hazewinkel