Voorzichtig: asielzoekers zijn geen criminelen

Gedwongen door de sterke stijging van het aantal asielzoekers heeft staatssecretaris A. Kosto (justitie) besloten afgewezen asielzoekers voor de keus te stellen: of het asielverzoek intrekken en vrijwillig het land verlaten of de uitslag van het vervolg van de procedure in de cel afwachten. In de brief aan de Kamer omschrijft de staatssecretaris deze handelwijze eufemistisch als 'voorlichting over de procedure en de kans van slagen'.

Hoe moet deze beleidsverandering worden beoordeeld? De problemen van het asielbeleid zijn kwantitatief, maar ook kwalitatief van aard. Het kwantitatieve aspect doet zich vooral voor in het dit jaar tot een recordhoogte stijgende aantal asielzoekende vreemdelingen: naar schatting 24.000. De opvangmogelijkheden van het Ministerie van WVC zijn vrijwel volledig uitgeput. De reguliere opvang in de gemeenten is overvol. Noodopvang is inmiddels georganiseerd in hotels, pensions, containerwoningen, stacaravans, en recreatieparken. De behandelcapaciteit van Justitie is volstrekt ontoereikend om deze 24.000 nieuwe verzoeken tijdig af te handelen. Er is nog een grote achterstand en het aantal ambtenaren is hooguit in staat op jaarbasis 14.000 verzoeken te behandelen. Deze kwantitatieve problemen worden voor een belangrijk deel veroorzaakt door het verloop van de asielprocedures. In de eerste plaats duren de procedures bijzonder lang (gemiddeld meer dan twee jaar). Dat heeft vervelende gevolgen voor de vreemdeling, die gedurende die periode niet wordt geacht te integreren in de Nederlandse samenleving (en dus geen scholing kan krijgen en niet mag werken). Het heeft ook als consequentie dat de doorstroming in de gemeentelijke opvangplaatsen minimaal is. Dit probleem wordt versterkt door het grote aantal uitgeprocedeerde asielzoekers, dat niet wordt uitgezet wegens de situatie in het land van herkomst. Dit zijn de zogenaamde 'gedoogden' (die onder meer afkomstig zijn uit een land als Irak!).

Kwalitatief probleem

Het kwalitatieve probleem ontstaat door een combinatie van de waarborgen die het asielrecht biedt enerzijds en het sterk toegenomen aantal ongegronde verzoeken anderzijds. Sinds het begin van de jaren tachtig doen steeds meer vreemdelingen een beroep op dit asielrecht. Voor heel Europa is dat aantal gestegen van 13.000 in 1972 tot 200.000 in 1988. Overigens kreeg Nederland de afgelopen jaren in vergelijking met de omringende landen daarvan een relatief gering deel te verwerken (of dat voor 1990 ook geldt, is zeer de vraag). Het is onmiskenbaar dat veel vreemdelingen een onterecht beroep doen op asiel. Voor dergelijke gevallen biedt het Nederlandse recht op zichzelf duidelijkheid: de verzoeken worden afgewezen en de vreemdeling dient het land te verlaten. Indien de vreemdeling het daarmee niet eens is, kan hij een kort geding aanspannen. Is die uitslag ook negatief, dan volgt uitzetting. Als gevolg van de lange duur van de asielprocedures en de waarborgen die deze bieden, blijkt het na verloop van tijd echter lastig om uitgeprocedeerde asielzoekers uit te zetten. Velen duiken, mede als gevolg van het terughoudende uitzettingsbeleid van Justitie, onder en verdwijnen in de illegaliteit. Het is het dilemma van de staatssecretaris hoe hij binnen de grenzen van het geldende recht een goede schifting tussen kansloze en gegronde verzoeken kan maken, waarbij de afgewezen asielzoekers ook effectief worden uitgezet.

Onaanvaardbaar

De handelwijze zoals die ten aanzien van een aantal Roemeense asielzoekers is gevolgd, kan niet worden beschouwd als een aanvaardbare methode. Het Nederlandse recht is op het punt van de inbewaringstelling betrekkelijk duidelijk. Die is namelijk slechts geoorloofd als het belang van de openbare orde, de openbare rust of nationale veiligheid dat vordert. In de praktijk betekent dit dat er sterke vermoedens moeten zijn of feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat de asielzoeker zich aan uitzetting zal onttrekken. Met uitzondering van de rechtbank in Assen die er in augustus in toestemde dat drie Roemeense asielzoekers tot hun uitzetting achter de tralies bleven, meenden alle rechters die daarover tot dusver hebben geoordeeld, dat dergelijke feiten en omstandigheden zich niet voordeden in de gevallen waarin de staatssecretaris tot bewaring overging. De staatssecretaris, zo bleek in de Tweede Kamer, wenst niettemin aan zijn beleid vast te houden en overweegt desnoods een wetswijziging.

Het is te hopen dat het zover niet zal komen. Als de staatssecretaris het aantal ongegronde asielverzoeken wil beperken, is inbewaringstelling het verkeerde middel. Het Nederlandse asielrecht is volledig gebaseerd op een individuele toetsing. De staatssecretaris maakt duidelijk dat hij de vreemdelingenbewaring wil hanteren om een afschrikkingseffect te bewerkstelligen. Dat is niet het doel van de vreemdelingenbewaring, want daarvoor moet in het individuele geval reden zijn. Weliswaar kan met een wetswijziging wel een basis voor het vastzettingsbeleid worden geschapen, maar de ervaring leert dat dergelijke maatregelen slechts een korte termijn-effect hebben. Na verloop van tijd ebt het afschrikkingseffect weg en komt het aantal asielzoekers weer op het oude niveau.

Xenofobie

Bovendien dreigt te worden vergeten dat het hier niet gaat om criminelen of terroristen: hooguit is sprake van mensen die een (oneigenlijke) mogelijkheid aangrijpen om zich een betere toekomst te creeren. Wie zijn wij om dat op die manier af te wijzen? De gekozen handelwijze bevordert dat de xenofobe gevoelens van een niet onbelangrijk deel van onze 'eigen' bevolking steeds manifester worden. Wie schrikt van de reacties in sommige gemeenten waar asielzoekers 'dreigen' te worden gehuisvest, zou ook eens over de achtergronden van die geluiden moeten nadenken.

De staatssecretaris van justitie heeft een adviescommissie ingesteld, die zich buigt over de asielprocedure. Het is denkbaar dat de commissie voorstelt een tijdslimiet aan de behandeling van asielverzoeken te koppelen. Beslist de overheid niet binnen de gestelde termijn, dan volgt automatisch statusverlening. Er zijn aanwijzingen dat de commissie zal bepleiten al vroeg in de procedure een grove schifting te maken tussen niet bij voorbaat ongegronde en apert ongegronde verzoeken. Voor de kennelijk ongegronde verzoeken kan dan een met waarborgen omklede verkorte procedure worden ontworpen.

Het lijkt me raadzaam dat de regering het advies van de commissie afwacht. Voor alles is het nodig dat voorzichtig wordt omgesprongen met het recht op asiel. We weten dat er velen zijn die er terecht een beroep op doen. Laten we zorgen dat zij niet de dupe worden van al te drastische ingrepen in dit zo fundamentele recht.