Stikker moest slikken; Japans vredesverdrag was dictaat VS

Naar aanleiding van het proefschrift van Duco Hellema, De Nederlandse houding ten aanzien van de Hongaarse revolutie en de Suezcrisis, geeft J. L. Heldring in zijn column van 11 september enkele voorbeelden waaruit blijkt 'dat Nederland, dat zelfs minister Luns die van 1952 tot 1971 minister van buitenlandse zaken was, helemaal niet zo'n schoothondje van de Amerikaanse politiek was, als een latere generatie, vooral onder de invloed van linkse sjablonen was gaan geloven'. Heldring noemt vier naoorlogse crisissituaties waarin Nederland niet aan de zijde van de VS dan wel tegenover de Amerikanen stond.

In de toenmalige tegenstelling VS versus Engeland, Frankrijk en Israel tijdens de crisisperiode oktober/ november 1956 inzake Suez en Hongarije stond Nederland eerder achter laatstgenoemde drie landen dan achter de VS. In de beide andere door Heldring genoemde kwesties, het Indonesie- en Nieuw-Guineaconflict waarop hij overigens niet nader ingaat stond Nederland, zoals Heldring terecht stelt, verscheidene malen rechtstreeks tegenover de VS. Tijdens de Indonesische crisis dreigde minister Stikker zelfs met niet-ondertekening of niet-ratificatie van het op stapel staande NAVO-verdrag indien de VS hun positie niet zouden wijzigen.

Inzake Nieuw-Guinea liep in het bijzonder na het bezoek in februari 1962 van Robert Kennedy aan Den Haag de irritatie over de Amerikaanse houding van tijd tot tijd zo hoog op, dat in kringen van BZ soms de vraag werd gesteld of de dientengevolge door Luns gegeven speldeprikken en geuite grieven niet een al te grote hypotheek op het totale Nederlandse buitenlandse beleid gingen leggen. Beide ministers, Stikker en Luns, toonden echter voldoende inzicht in de machtsverhoudingen en ons daaraan gerelateerde belang om de zaak niet op de spits te drijven.

Ik zou hiernaast nog een vijfde onderwerp willen noemen waarin Nederland niet gelukkig was met het Amerikaanse standpunt: het Japanse vredesverdrag van 1951, dat nu bijna 40 jaar later weer in de belangstelling staat naar aanleiding van de actie over Japanse ereschulden.

Het Japanse vredesverdrag was een Amerikaans dictaat aan bondgenoten: to take or to leave. Een dictaat in 1951 tijdens de Korea-oorlog, toen de Amerikanen Japan als basis en arsenaal nodig hadden om de communistische vloedgolf te keren. Anderzijds werd 'Korea' algemeen gezien als een verscherping van de Koude Oorlog waarbij de Europeanen de VS hard nodig hadden. To leave was dus geen optie.

Niettemin maakte Stikker een tweeledig voorbehoud tegenover artikel 14 van het Vredesverdrag, waarin Japan werd vrijgesteld van het verrichten van herstelbetalingen. In de eerste plaats, dat volgens de interpretatie van de Nederlandse regering genoemd artikel 14 niet impliceert het prijsgeven van particuliere schadeclaims ten aanzien waarvan de Nederlandse regering door constitutionele en andere beperkingen was gebonden.

In de tweede plaats werd aangenomen dat de Japanse regering op basis van vrijwilligheid en morele aansprakelijkheid 'bepaalde soorten particuliere claims' in behandeling zou willen nemen. Dit laatste voorbehoud leverde tenslotte in 1956 na langdurige onderhandelingen een bedrag van 38 miljoen gulden aan smartegeld voor burger-geinterneerden op. Bij protocol van 13 maart 1956 verklaarde de Nederlandse regering dat noch de Nederlandse staat noch Nederlandse onderdanen verdere claims over smartegeld zouden indienen. Het eerste voorbehoud over particuliere schadeclaims bleef bestaan.

Stikker vertelde mij destijds dat de irritatie tijdens de besprekingen over het Japanse vredesverdrag zo hoog opliep, dat hij de architect van dit verdrag, Foster Dulles toen nog geen minister liet weten dat hij, Stikker, als minister niet verder met Dulles, doch met zijn Amerikaanse ambtgenoot Acheson wenste te spreken. Uiteindelijk tekende Stikker met inachtneming van het gemaakte voorbehoud. Ook hier werd onderscheid tussen hoofd- en bijzaken gemaakt. Nederland moest bakzeil halen, niet voor Japan maar voor de VS.