IMF: 'Dure olie eist strak beleid'

WASHINGTON, 20 sept. De Westerse industrielanden moeten bij blijvend hoge olieprijzen voorkomen dat ze de beleidsfouten herhalen die werden gemaakt na de oliecrises van 1973 en 1979. Ze moeten hogere olieprijzen volledig doorberekenen aan de consumenten, vasthouden aan een strak monetair beleid en doorgaan hun begrotingstekorten te verminderen.

Deze aanbevelingen doet de staf van het Internationale Monetaire Fonds (IMF) in zijn World economic outlook, een halfjaarlijkse graadmeter van de stand van de wereldeconomie die gisteren is gepubliceerd. Het IMF is somber gestemd en staat uitvoerig stil bij de problemen waarvoor de Westerse landen worden gesteld. Hogere energieprijzen zullen leiden tot minder groei, terwijl bij een krap monetair beleid de rente zal stijgen. Dat heeft negatieve gevolgen voor de begrotingen. Niettemin worden landen die nog steeds een groot tekort hebben, in het bijzonder de VS, aangespoord hun tekorten te verminderen.

De World economic outlook, die is voorzien van een bijlage over de mogelijke gevolgen van een blijvend hogere olieprijs, is de eerste publicatie met macro-economische voorspellingen van een internationale organisatie sinds het uitbreken van de Golfcrisis. Het IMF gaat uit van een olieprijs van gemiddeld 26 dollar per vat voor de rest van dit jaar en van een geleidelijke daling naar 21 dollar (de OPEC-richtprijs) eind volgend jaar. Bij deze prijzen zullen de industrielanden dit jaar 25 en volgend jaar 16 miljard dollar extra betalen voor hun olie-importen.

De afgelopen maanden zijn de internationale economische vooruitzichten duidelijk verslechterd, aldus het IMF. Dit is voornamelijk, maar niet alleen het gevolg van de hogere olieprijzen. Ook de stagnatie in de VS en de scherpe samentrekking van de economieen in Oost-Europa, de Sovjet-Unie en een aantal Latijnsamerikaanse landen dragen tot een wereldwijde groeivertraging bij.

Van een recessie in de industrielanden wil de IMF-staf evenwel nog niet spreken. 'Als gevolg van de hogere olieprijzen zal sprake zijn van een beetje minder groei, een beetje minder welvaart, een beetje meer inflatie en een beetje meer werkloosheid', zei de topeconoom van het IMF, Jacob Frenkel gisteren in een toelichting. Naarmate de energieprijzen verder stijgen, zal het risico van een recessie wel groter worden, erkende hij.

Het IMF verwacht dat de groei in de industrielanden zowel dit jaar als volgend jaar zal uitkomen op 2,5 procent. Dit gemiddelde versluiert grote onderlinge verschillen: in de VS, Canada en Groot-Brittannie bedraagt de groei in 1990 nauwelijks meer dan een procent, terwijl de Duitse groei als gevolg van de Duitse eenwording naar boven toe is bijgesteld (3,9 procent). Ook de Japanse economie blijft krachtig groeien (5,1 procent). Het IMF stelt vast dat de grote industrielanden zich in verschillende fases van de economische cyclus bevinden. Dit draagt bij aan een vermindering van de onevenwichtigheden tussen de VS, Japan en Duitsland en verkleint de kans op een scherpe, wereldwijde recessie zoals begin jaren tachtig plaats vond.

Ook als de centrale banken hun krappe geldbeleid voortzetten, zal de inflatie in de industrielanden dit jaar en volgend jaar hoger uitvallen dan eerder werd voorspeld. 'De stijging van de olieprijzen zal de inflatiebestrijding lastiger maken', erkende IMF-econoom Frenkel gisteren.

Het IMF verwacht een gemiddelde inflatie van 4,75 en 4,25 procent respectievelijk dit jaar en volgend jaar. De lagere inflatie volgend jaar is het gevolg van krap monetair beleid, vermindering van de groei, lagere loonstijgingen en geleidelijk lagere olieprijzen.

Tussen de belangrijkste industrielanden lopen de inflatiepercentages eveneens sterk uiteen: de Britse, Amerikaanse, Canadese en Italiaanse prijsstijgingen zijn nagenoeg het dubbele van die in Japan, Frankrijk en Duitsland.

Voor de ontwikkelingslanden met uitzondering van de olie-exporteurs - en voor de Oosteuropese landen hebben blijvend hogere olieprijzen dramatische gevolgen. In de ontwikkelingslanden bestaat het gevaar dat moeizame aanpassingsprgramma's, die geleidelijk vruchten beginnen af te werpen, zullen ontsporen.

Oost-Europa bereidt zich voor op de ontmanteling van Comecon, het economische samenwerkingsverband met de Sovjet-Unie. Vanaf volgend jaar zullen de Oosteuropese landen in harde valuta marktprijzen betalen voor de olie die ze nu nog voor kunstmatige prijzen uit de Sovjet-Unie importeren. Boven op deze aanpassing komt dan ook het prijsverhogende effect van de Golfcrisis. 'Oost-Europa heeft twee olieschokken te verwerken', zei Frenkel. Het IMF maakt zich grote zorgen over de houdbaarheid van het pijnlijke aanpassingsproces naar een markteconomie in Oost-Europa dat inmiddels op gang is gekomen. Bovendien is in Oost-Europa nog niets gedaan aan energiebesparing en is de energiecomponent in de produktiekosten veel groter dan in de Westerse industrielanden.

Rekening houdend met hogere olieprijzen verwacht het IMF dit jaar een inkrimping van de economieen in Oost-Europa met maar liefst 5,25 procent en opnieuw een negatieve groei in 1991. De hardste klappen vallen in Polen en de (voormalige) DDR. Voor de Sovjet-Unie nog geen lid van het IMF voorspelt het Fonds stagnatie.

In een econometrische vingeroefening heeft de IMF-staf berekend wat het theoretische effect is van een blijvend hogere olieprijs voor de industrielanden. Als uitgangspunt voor de vergelijking zijn de economische situatie en de olieprijs van voor de Koeweitcrisis genomen. Iedere prijsstijging van zeven dollar per vat betekent een kwart procentpunt minder groei dit jaar en volgend jaar; een kwart en een half procentpunt meer inflatie respectievelijk in 1990 en 1991; een stijging van de korte rente met een half en driekwart procentpunt in 1990 en 1991 en van de lange rente met respectievelijk een kwart en een half procentpunt.