Grauwsluier

Het parlementaire stelsel lijkt door de gebeurtenissen van gisteren weer enigszins tot leven te zijn gewekt. De kern van dit stelsel, dat in 1868 in Nederland vaste voet kreeg, komt er immers op neer dat ministers niet in functie blijven tegen de uitgesproken wil van de Kamermeerderheid. In de laatste jaren kreeg menigeen de indruk dat over het parlementaire stelsel een grauwsluier hing.

Wegens hun tegenover het parlement geldende verantwoordelijkheid moeten bewindslieden op het vertrouwen van een parlementaire meerderheid steunen, een steun die de laatste decennia min of meer kunstmatig werd georganiseerd bij kabinetsformaties, waarin bepaalde Kamerfracties zich tegenover elkaar door middel van regeerakkoorden bonden; deze binding betrof dan het overeind houden van een bepaald regeringsbeleid en dus ook van de met de uitvoering van dit beleid belaste ministers, die als het ware door de betrokken fracties of hun geestverwante partijen werden 'geleverd'.

De verontwaardiging in kringen van het CDA over de gisteren mede door de Kamerfractie van de PvdA bevorderde val van minister Braks is begrijpelijk maar in staatsrechtelijk opzicht op zijn minst overdreven. Elke Kamerfractie, of het nu een 'regeringsgezinde' fractie is dan wel een oppositiefractie, moet op elk moment vrij kunnen zijn haar controlerende taak een wezenskenmerk van het parlement ten opzichte van ministers uit te oefenen en desnoods het vertrouwen in hen op te zeggen; coalitieoverwegingen mogen daaraan niet in de weg staan. Vreemd genoeg ontstond met name ten tijde van het tweede kabinet-Lubbers wel de opvatting dat bewindslieden niet langer konden functioneren als zij het vertrouwen van hun politieke geestverwanten waren kwijtgeraakt; de vraag of zij misschien nog wel het vertrouwen van de Kamermeerderheid genoten kwam niet meer aan de orde. De staatssecretarissen Brokx in 1986 en Van der Linden alsmede minister Van Eekelen in 1988 moesten in deze periode ervaren wat politieke vriendschap betekent zonder dat zij in een plenair Kamerdebat door een Kamermeerderheid ten val werden gebracht.

Ook minister Braks is niet ten val gekomen door de aanneming van een motie van afkeuring in een plenaire Kamervergadering; hij trad af naar aanleiding van een verklaring van een der regeringsgezinde fracties, mede gezien de verklaringen van oppositiefracties in commissievergaderingen. Het was natuurlijk eleganter geweest als de fractieleider van de PvdA geen verklaring voorafgaande aan een plenaire Kamervergadering had afgelegd thans kon Braks de eer aan zichzelf houden maar de gang van zaken van gisteren betekent toch een winstpunt voor het parlementaire stelsel. Regeerakkoorden en coalitieoverwegingen mogen nooit zo verstarrend werken dat een minister als aangeschoten wild in functie kan blijven (Van Aardenne 1984) of kan blijven doorzwemmen als een in het water teruggegooide vis (Braks 1987).

    • Mr. B. C. L. Waanders