De FNV rooms als de paus?

Volgend jaar zal worden herdacht dat de pauselijke encycliek Rerum Novarum een eeuw geleden werd uitgevaardigd. Vorige week konden we uit de pers vernemen dat de vakcentrale FNV op eigen verzoek bij de voorbereiding van het feest zal worden betrokken. Naast kardinaal Simonis, minister-president Lubbers en andere voormannen uit het confessionele kamp zal een vertegenwoordiger van de FNV zijn naam aan het evenement geven.

Een ogenblik leek het erop dat dit niet het geval zou zijn. De stichting Christelijk Sociaal Congres 1991 had eigenlijk niet direct aan de FNV gedacht. Natuurlijk zou de vakcentrale zijn uitgenodigd. Voorzitter Stekelenburg was ongetwijfeld een mooie plaats op de eerste rij toebedacht. Maar als gast, niet als mede-initiatiefnemer.

Toch was dit laatste precies wat men van FNV-zijde wenste te zijn. De Bouw- en Houtbond FNV gooide vorige week de knuppel krachtig in het confessionele hoenderhok: 'Het getuigt van hoogmoed als christelijke organisaties menen dat het christelijk sociale gedachtengoed hun eigendom zou zijn'. In de ogen van de commentaarschrijver loopt er immers een rechte lijn van Rerum Novarum naar de tegenwoordige FNV: in 1981 ontstond de FNV uit een fusie van het socialistische NVV en de katholieke vakcentrale NKV. Sindsdien kan de FNV ook spreken namens christelijke werknemers.

FNV-voorzitter Stekelenburg deed desgevraagd eveneens een duit in het zakje. Hij opponeerde tegen aanvankelijke pogingen van het herdenkingscomite om een 'herkenbare' man uit het voormalige NKV bij de voorbereidingen te betrekken. Stekelenburg, van protestants-christelijken huize, past niet in dit profiel en werd gepasseerd. Dat werd niet gepikt.

Stekelenburg neemt tevens het standpunt van de Bouw- en Houtbond FNV over als hij zegt: 'De herdenking van Rerum Novarum is ook ons erfgoed. Dat kan niet worden gemonopoliseerd door de stichting 1991' (de Volkskrant, 12 september). Het stichtingsbestuur toonde zich enigszins bedremmeld. Het heeft de FNV inmiddels een volwaardige plaats geoffreerd.

Een oer-Nederlands relletje, zoveel is zeker. Dat oer-Nederlandse zit niet in de kissebisserige rivaliteit tussen vakbonden van verschillende signatuur; die komt overal voor. Het zit in de tomeloze verwarring die hier te lande altijd ontstaat als de verhouding tussen persoonlijk geloof en maatschappelijke organisaties aan de orde komt.

Al meer dan een eeuw bestaan er, ook in het arbeidsbestel, naast elkaar confessionele en niet-confessionele organisaties. De positie van de eerste is duidelijk. Zij bestaan op basis van een tweeledige, complementaire opvatting. Enerzijds behoren christenen maatschappelijk actief te zijn en zich daarom op grond van hun christelijke overtuiging te verenigen; anderzijds dient de christelijke leer omtrent de maatschappelijke orde te worden uitgedragen door organisaties op christelijke grondslag. Men behoeft het met doel en strekking van deze redenering niet eens te zijn om de logica ervan in te zien.

Niet-confessionele, zich 'algemeen' noemende vakorganisaties hebben het moeilijker. Ze plegen te kiezen uit ten minste drie standpunten: (1) neutraal: vakactie betreft sociaal-economische belangen en heeft daarom weinig of niets met geloof en godsdienst te maken; (2) militant: de algemene vakbeweging richt zich tegen confessionele bonden omdat die de werknemers van de sociale strijd afhouden; (3) oecumenisch: algemene vakorganisaties ontlenen hun inspiratie mede aan christelijk gedachtengoed.

Het NVV, dat driekwart eeuw lang, van 1906 tot 1981, het gezicht van de algemene vakbeweging in ons land bepaalde, verdedigde nu eens het eerste, dan weer het derde standpunt, maar kwam in de praktijk het dichtst bij het tweede. Dat is verklaarbaar. In een land met een vanouds sterke confessionele vakbeweging zullen algemene bonden een hoge concentratie van radicale, overwegend socialistische leden laten zien. Dit leidt dan weer tot verdere verwijdering ten opzichte van de confessionele bonden.

De samensmelting van NVV en NKV is dan ook een buitengewoon moeizame operatie geweest. De destijds oppermachtige Industriebond NVV, in de jaren zeventig tot een radicaal socialisme bekeerd, heeft de fusie geruime tijd weten tegen te houden. De bond ging pas akkoord toen vaststond dat het overigens laag brandende vuur van christelijke bezieling dat het NKV inbracht, na de fusie geen onaangename walm zou kunnen verspreiden.

Van een 'rechte lijn' van Rerum Novarum naar de FNV valt dus onmogelijk te spreken, hoogstens van een kronkelige stippellijn. Het is dan ook niet in te zien waarom de FNV en aangesloten bonden verontwaardigd zouden moeten zijn indien christelijke organisaties in eigen kring hun verleden willen laten herleven.

Het is nog gekker: je zou verwachten dat de FNV, denkend aan haar eigen verleden, weinig ervoor voelt mee te doen aan de feestelijke herdenking van een document als Rerum Novarum. Wat paus Leo XIII in 1891 beoogde, was niet meer en niet minder dan het massaal mobiliseren van de katholieke kerk tegen het opdringend socialisme, inclusief de 'moderne' vakbeweging, die 'wolf in schaapskleren'. Het was de taak van de clerus overal katholieke bonden te stichten en de gelovigen ertoe te brengen zich als lid te melden. 'Neutrale' organisaties golden als een dodelijk gevaar voor het zieleheil.

Het kan de FNV trouwens evenmin ontgaan zijn dat de herdenking volgend jaar de naam draagt van Christelijk Sociaal Congres 1991. Die benaming verwijst rechtstreeks naar het eerste Sociaal Congres in christelijk Nederland dat in 1891, het jaar van Rerum Novarum, werd gehouden.

Op dat congres van een eeuw geleden hield Abraham Kuyper zijn magistrale rede over 'Het sociale vraagstuk en de christelijke religie'. Zoals de titel al doet vermoeden, stelde Kuyper zijn hoop op een christelijke hervorming van de samenleving. Hij riep zijn mede-christenen op ervoor te zorgen dat het gevaar van de sociaal-democratie zou worden geweerd.

Met andere woorden: nog voor het NVV in 1906 was ontstaan, hadden zowel katholieken als gereformeerden de 'algemene' vakbeweging al de oorlog verklaard. Daarover zal volgend jaar zeker worden gesproken, in milde termen en misschien met enig gewetensonderzoek, want dat hoort bij christelijke evenementen. De tijden zijn trouwens veranderd, de verschillen zijn gerelativeerd.

Toch blijf ik volhouden niet goed te kunnen inzien wat de erfgenamen van W. H. Vliegen, Henri Polak en al die andere taaie rooie rakkers te zoeken hebben op een congres dat 1891 herdenkt: het jaar dat de confessionele vakbeweging het offensief begon als gevolg waarvan het werknemersfront nooit de eensgezindheid zou bereiken die de algemene vakbeweging zich had voorgenomen te realiseren.