Orkestklank Bruckner is onuitvoerbaar ideaal

Het Nederlands Philharmonisch Orkest zal blij zijn even uit de onzichtbaarheid van de orkestbak te kunnen treden. Tussen de tien uitvoeringen van Parsifal in het Muziektheater door, speelde het orkest maandagavond in het Concertgebouw een concert met de Derde symfonie van Brahms en het Te Deum van Bruckner.

Voor Bruckner nam men ook het koor van de Opera mee. Even gingen hier alle remmen los. Maar een werkelijk fraaie uitvoering leverde het niet op. Volgens mij bestaat die ook niet. Bruckner en andere romantici die, naar het voorbeeld van Beethoven, immense koorwerken schreven, hadden waarschijnlijk een klankvoorstelling die alleen in hun hoofd tot de ideale proporties kon uitgroeien. De werkelijke uitvoering zal nooit meer zijn dan een schim, een suggestie van dat ideaal. Wanneer het orkest speelt in de aangegeven dynamiek, verdrinken de solisten in de klankmassa. Een goede balans vinden tussen alle elementen van de partituur is een onmogelijke opgave.

Dirigent Harmut Haenchen deed zijn best, maar ik kan me niet voorstellen dat zijn uitvoering aan Bruckners ideaal beantwoordde. De klank miste differentiatie en schoonheid. Haenchen zat met een rommelig solistenkwartet. De bas Henk Smit zorgde voor een degelijk fundament. Sopraan Young-Hee Kim heeft een scherp geluid, dat slecht kleurde met dat van de andere drie. Voor Adrian Thompson, vervanger van Howard Crook, was de moeilijke tenorpartij hoorbaar te zwaar. Marion van den Akker was wel een goede vervanging voor de alt Catherine Patriasz.

Vijf jaar geleden begon het moeizaam geploeter van het Nederlands Philharmonisch, om onder leiding van chef-dirigent Haenchen drie ensembles van een wisselende kwaliteit tot een geheel te smeden. Dat dit vruchten begint af te werpen, bewees het orkest met Brahms. Natuurlijk zijn er nog oneffenheden weg te werken, maar er is inmiddels sprake van een hechte muzikale samenwerking. Kwaliteitsverschillen tussen individuele musici en tussen de instrumentengroepen beginnen te verdwijnen. Voor een belangrijk deel is dat te danken aan de bemoeienissen van de chef-dirigent, die een groot deel van de concerten zelf leidt en daardoor de ontwikkeling van een eigen klank voor het Nederlands Philharmonisch intensief kan begeleiden. Verder heeft ook de vaste oefenruimte in de Beurs van Berlage daaraan ongetwijfeld bijgedragen.

In zijn uitwerking van Brahms kreeg ik af en toe het gevoel dat Haenchen nog niet alles wat hij zich voorstelde ook voor elkaar kreeg. Maar het weefsel van instrumentale kleuren, snel wisselende stemmingen en schaduwen dat Brahms in zijn noten heeft gelegd, was tot in details te horen.